| Onderschat het VN-klimaatpanel het klimaatprobleem? |
|
|
|
In een recent onderzoek in het Verenigd Koninkrijk waren 56% van de meer dan 2000 geïnterviewde volwassenen de mening toegedaan dat de wetenschappers nog ernstig verdeeld zijn over de antropogene oorzaak van de huidige opwarming. En ook in België is de situatie abominabel. Een recente opiniepeiling heeft aangetoond dat in dit land één op de drie mensen nog altijd niet wil aanvaarden dat de mens de hoofdverantwoordelijke is voor de hedendaagse klimaatdestabilisatie. We zijn nochtans aanbeland op een punt in de geschiedenis waar gebrek aan actie om de broeikasgasuitstoot ernstig terug te dringen gewoonweg onverantwoord en uiterst gevaarlijk is. Dat mag althans blijken uit de rapporten van het IPCC. Bovendien zijn een aantal klimaatwetenschappers de mening toegedaan dat zowel het IPCC-rapport van 2001 als dat van 2007 de ernst van het klimaatvraagstuk onderschatten. Het klinkt contradictorisch ten opzichte van de stelling van klimaatsceptici die laten uitschijnen dat het IPCC nodeloos alarmistisch tewerkgaat. Quod non. Volgens sommige toch wel eminente - en dat is hier niet als gezagsargument bedoeld - klimaatwetenschappers gebeurt net het omgekeerde. Uit vrees beschuldigd te worden van alarmisme, brengt het IPCC eerder conservatieve projecties uit voor de toekomst. Een recent overzichtsartikel in Science, waarin tal van klimaatwetenschappers geïnterviewd worden, doet het verhaal uit de doeken (1). (Dit is een fragment uit het artikel dat in Oikos 42 zal verschijnen (augustus 2007)). Eerst even recapituleren. Het IPCC werd in 1988 opgericht door de Wereld Meteorologische Organisatie en het milieuprogramma van de VN. Dit panel evalueert de beschikbare wetenschappelijke, technische en socio-economische informatie die relevant is voor het inzicht in de risico’s van klimaatverandering voor mens en milieu (zie http://www.ipcc.ch/). Inmiddels heeft het IPCC vier grote evaluatierapporten uitgebracht: 1990, 1996, 2001 (TAR) en het meest recente in 2007 (AR4). Los van de uitgebreide wetenschappelijke rapporten worden er steeds korte syntheserapporten gepubliceerd. Meestal zijn het alleen die syntheses die bij beleidsmakers en politici terechtkomen. Juist omwille van de grote impact van de IPCC-syntheserapporten wordt er daarom over elk woord in het uiteindelijke rapport onderhandeld. De enige leden van het IPCC zijn regeringen en dus hebben zij, in principe althans, het laatste woord. Dit is de reden waarom men kan stellen dat het IPCC in wezen relatief voorzichtige syntheserapporten uitbrengt: alleen datgene waarover een voldoende sterke consensus bestaat, zal naar buiten worden gebracht. Die procedure wekt regelmatig wrevel op individuele IPCC-wetenschappers. Zoals al gesteld gaan er signalen op dat de zeer recente en toekomstige klimaatwijzigingen wel eens sneller kunnen zijn dan algemeen aangenomen door het IPCC. Dát beweren althans Stefan Ramstorf (Potsdam Instituut) en James Hansen, directeur van het Amerikaanse NASA Goddard Institute for Space Studies. Rahmstorf toonde zich eerder al ontevreden over de volgens hem veel te conservatieve IPCC-projecties voor de zeespiegelstijgingen in het eerste deel van het AR4-rapport (zie ‘Terra Incognita IX’ (2)). Die werden geschat op een gemiddelde waarde van 0,34 m tegen 2100, met een maximumwaarde van 0,59 m. Het IPCC zou evenwel te weinig rekening houden met een aantal dynamische (niet-lineaire) effecten die zouden kunnen maken dat de zeespiegelstijging veel sneller zou verlopen. In het interview in Science liet Rahmstorf recent optekenen: “The IPCC has been overly cautious in not wanting to give any large number to [future] sea-level rise.” (3) Hij werd daarin bijgestaan door James Hansen. Zowel Rahmstorf als Hansen stellen dat een zeespiegelstijging van meer dan een meter tegen 2100 niet uit te sluiten valt. In een nieuwe publicatie in Science bevestigen Rahmstorf et al. (4) dat de klimaatwijzigingen, vooral wat de zeespiegelstijging betreft, sneller gebeuren dan voorspeld in de IPCC-projecties. De auteurs vergeleken de recente observaties van de gemiddelde temperatuur en de zeespiegelstijging met de projecties van het IPCC-rapport van 2001 (TAR). Zij concluderen dat de zeespiegelstijging sinds 1990 sneller optreedt (~3,3 mm/jaar) dan de beste IPCC-schatting (< 2 mm/jaar). Dit ligt in dezelfde lijn als hun eerdere kritiek op het Vierde Evaluatierapport van 2007. Wat de temperatuur betreft, vonden zij een stijging van 0,33°C sinds 1990, een stijging die helemaal bovenaan het onzekerheidsinterval van het IPCC ligt. In een andere, toch wel opmerkelijke publicatie stellen zes wetenschappers, onder leiding van James Hansen, dat de beschaving zelf in gevaar aan het komen is door de globale opwarming. Hun boodschap laat zich niet verkeerd verstaan: “Recent greenhouse gas emissions place the Earth perilously close to dramatic climate change that could run out of control, with great dangers for humans and other creatures.” (5) In hun paper ‘Climate Change and trace gases’ stellen de auteurs dat de onnatuurlijke stralingsforcering van antropogene broeikasgasemissies het klimaat abrupt dreigt te doen overslaan (albedo flip in jargon) naar een nieuwe klimaattoestand. De auteurs alluderen op het albedo-effect, een potentieel sterke positieve terugkoppeling in het klimaat waardoor de opwarming zichzelf kan voeden. Hogere temperaturen leiden tot het smelten van ijs. Water kaatst minder zonne-energie terug dan ijs. Minder ijs betekent dus dat er meer zonne-energie wordt geabsorbeerd door het water, waardoor de temperatuur verder toeneemt, wat dan weer ten gevolge heeft dat er nog meer ijs smelt. Wanneer de relevante kritische drempelwaarde wordt overschreden kan een catastrofe in gang worden gezet. De ijskappen van West-Antarctica en Groenland zouden dan in snel tempo verdwijnen. Zulke abrupte overgangen zijn al opgetreden in het verre verleden. De relatieve stabiliteit sinds de laatste ijstijd 12.000 jaar geleden dreigt hiermee compleet verstoord te worden. Met de woorden van Hansen et al.: “Dramatic flips in the climate have occurred in the past but none has happened since the development of complex human societies and civilisation, which are unlikely to survive the same sort of environmental changes if they occurred now. (…) Civilisation developed, and constructed extensive infrastructure, during a period of unusual climate stability, the Holocene, now almost 12,000 years in duration. That period is about to end. (…) Humanity cannot afford to burn the Earth’s remaining underground reserves of fossil fuel. (…) To do so would guarantee dramatic climate change, yielding a different planet from the one on which civilisation developed and for which extensive physical infrastructure has been built.” Hansen en collega’s gaan ervan uit dat we ongeveer 10 jaar hebben om draconische maatregelen te nemen die de uitstoot van broeikasgassen snel en verregaand moeten terugdringen. Dat is volgens de auteurs niet langer voldoende: “We conclude that a feasible strategy for planetary rescue almost surely requires a means of extracting [greenhouse gases] from the air.” Doen we dat niet, dan kan men niet uitsluiten dat de systeemsprong zal optreden met verregaande zeespiegelstijgingen tot gevolg. Gans andere taal dan die van het IPCC die, althans volgens Rahmstorf en collega’s, te weinig rekening houdt met de mogelijkheid van deze abrupte klimaatevoluties. Ander recent onderzoek heeft aangetoond dat de mondiale CO2-uitstoot aan het versnellen is. In een studie in het vakblad PNAS wordt aangetoond dat de groeisnelheid van CO2 is toegenomen van 1,1% per jaar in de periode 1990-1999 tot meer dan 3% per in jaar in 2000-2004 (6). Dit is een snelheid die groter is dan het meest fossiel intensieve IPCC-emissiescenario zoals dat werd ontwikkeld eind jaren 90. Geen enkele regio ter werld kan prat gaan op een ontkoling (decarburisering) van de energievoorziening. Toch zijn er grote verschillen tussen de regio’s in de wereld. De grootste versnelling inzake CO2-emissies vindt plaats in de nieuwe, snel groeiende industrielanden, met China op kop. De waargenomen trends reflecteren de verschillende vormen van economische ontwikkelingen tussen de landen in het Zuiden en het Noorden. De 'ontwikkelde' landen hebben hun huidige status bereikt via meer dan 200 jaar fossielintensieve economische groei. Landen zoals China en India daarentegen kennen nu pas zo’n fossielintensieve evolutie. De auteurs beklemtonen dat met de globalisering van de economie er een aanzienlijke verschuiving is opgetreden inzake de verplaatsing van energie-intensieve activiteiten van ‘ontwikkelde’ naar ‘ontwikkelingslanden’. Enkele cijfers verduidelijken de huidige stand van zaken: de armste landen in de wereld, die ongeveer 80% van de wereldbevolking herbergen, vertegenwoordigden in 2004 ongeveer 41% van de globale broeikasgasemissies in de wereld. Anderzijds vertegenwoordigen die landen slechts 23% van alle gecumuleerde emissies sinds het begin van de industriële revolutie. Het rijke Westen blijft met andere woorden de hoofdverantwoordelijke voor de huidige globale opwarming, wat niet wegneemt dat de bijdrage aan het versterkte broeikaseffect van landen als China, India, Brazilië, Mexico en Zuid-Afrika in de toekomst alleen maar groter zal worden. Het VN-principe van 'gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid' blijft dus erg relevant wanneer men in de nabije toekomst een post-Kyotoakkoord tracht te onderhandelen. Referenties
1 Kerr, R., ‘Pushing the Scary Side of Global Warming’, Science, 316, 2007, 1412-1415.
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|
![]() |
| Peter Tom Jones is burgerlijk ingenieur Milieukunde, doctor in de
Toegepaste Wetenschappen en werkzaam als Onderzoeksmanager (IOF) aan de
K.U.Leuven, met specialisatie in industriële ecologie. Hij is één van de
15 pioniers van Plan C, de Vlaamse transitie-arena voor een duurzaam
materialenbeheer én van Terra Reversa, de Vlaamse denktank voor
ecologische economie. Als ‘geëngageerd wetenschapper’ publiceerde hij
talloze artikels, boekartikels en opiniestukken omtrent thema's als
klimaat, transities, industriële ecologie en ecologische economie. Hij
is co-auteur van o.a. Terra Incognita (Ginkgo, Gent, 2006), Het
Klimaatboek (Berchem, 2007), Klimaatcrisis (Antwerpen,
2009) en Terra Reversa (Berchem/Utrecht, 2009). Lees Meer... |



Peter Tom Jones (1973) is Burgerlijk Ingenieur Milieukunde, Doctor in de Materiaalkunde en werkzaam als post-doctoraal onderzoeker aan de KULeuven. Hij publiceerde in diverse tijdschriften omtrent thema’s als (anders)globalisering en ecologie. In april 2006 verscheen zijn boek (samen met Roger Jacobs) Terra Incognita: Globalisering, ecologie en rechtvaardige duurzaamheid (GINKGO peer review reeks, Academia Press, Gent). Nadien publiceerde hij samen met Els Keytsman Het Klimaatboek: Pleidooi voor een ecologische omslag (EPO, Berchem). Zie ook 