Home
Over Peter Tom
Blog
Links
Interviews
Lezingprogramma
Powerpointpresentaties
Pdfs thesissen
Papers & rapporten


 

Publicaties
Terra Incognita (Oikos)
Terra Reversa (Oikos)
Boeken
Recente Artikels
Artikellijst
Opiniestukken

 

 

Image

Waarom het klimaatprobleem een ethisch vraagstuk is (Jones & De Meyere, Antenne, sep 2008) PDF Afdrukken E-mail
Image

Op vraag van de Unie voor Vrijzinnige Verenigingen schreven we het volgende artikel voor het themanummer 'Slachtoffer en daders' in het magazine Antenne (september 2008, p. 49-55). Het stuk behandelt de relatie tussen ethiek en het klimaatvraagstuk. Het klimaatprobleem is immers in essentie ook een rechtvaardigheidsvraagstuk. De mensen en landen die het minst verantwoordelijk zijn voor het probleem ondervinden de grootste schade als gevolg van de globale opwarming. In jargon spreekt men van klimaatonrechtvaardigheid. In deze bijdrage tonen we aan dat klimaatscepticisme niet alleen wetenschappelijk achterhaald, maar vooral moreel verwerpelijk is, als medeoorzaak van de maatschappelijke inertie. We putten daarbij onder andere uit het laatste Human Development Rapport van het VN-ontwikkelingsprogramma (UNDP), dat integraal gaat over de link tussen ontwikkeling, armoedebestrijding en klimaatwijzigingen. Voorts onderzoeken we kort de mogelijkheid om uit de klimaatimpasse te geraken. Dit vereist verandering op vele vlakken, zowel op macropolitiek niveau (institutioneel, technologisch, economisch) als op het vlak van ethiek en wereldbeeld. Het model van de 4 E's (Encourage,  Exemplify, Enable en Engage) doet dienst als kompas voor verandering. Dat model toont aan dat alle maatregelen hun oorsprong moeten vinden in een ander sociaal-cultureel normstelsel. Daarom besluiten we met een pleidooi voor een ethiek van verbondenheid.

We geven hier de link naar de pdf-versie van de tekst: http://www.uvv.be/uvv5/pub/cante/send/pdf/11.pdf. Hieronder vindt u ook rechtstreeks de integrale tekst.

 Waarom het klimaatprobleem een ethisch vraagstuk is

Pleidooi voor een ethiek van verbondenheid

Peter Tom Jones & Vicky De Meyere

 

"Future generations will pass a harsh judgement on a generation that looked at the evidence on climate change, understood the consequences and then continued on a path that consigned millions of the world's most vulnerable people to poverty and exposed future generations to the risk of ecological disaster" (UNDP, 2007)

Inleiding

Vanwege zijn verregaande impact op andere wereldproblemen is het klimaatvraagstuk hard op weg hét ecologische, economische, sociale en morele probleem van de eenentwintigste eeuw te worden. Een ambitieus klimaatbeleid is een sine qua non om gevaarlijke temperatuurstijgingen te vermijden. Zonder klimaatbeleid zullen er zeer zware gevolgen optreden vooral voor de landen in het Zuiden en de zwakkeren in de westerse landen. Het klimaatprobleem is in essentie ook een rechtvaardigheidsvraagstuk. De mensen en landen die het minst verantwoordelijk zijn voor het probleem ondervinden de grootste schade als gevolg van de globale opwarming. In jargon spreekt men van klimaatonrechtvaardigheid. In deze bijdrage tonen we aan dat klimaatscepticismeniet alleen wetenschappelijk achterhaald maar vooral moreel verwerpelijk is, als mede-oorzaak van de maatschappelijke inertie. We putten daarbij onder andere uit het laatste Human Development Rapport van het VN-ontwikkelingsprogramma (UNDP), dat integraal gaat over de link tussen ontwikkeling, armoedebestrijding en klimaatwijzigingen. Voorts onderzoeken we kort de mogelijkheid om uit de klimaatimpasse te geraken. Dit vereist verandering op vele vlakken, zowel op macropolitiek niveau (institutioneel, technologisch, economisch) als op het vlak van ethiek en wereldbeeld. Het model van de 4 E's (Encourage, Exemplify, Enable en Engage) doet dienst als kompas voor verandering. Dat model toont aan dat alle maatregelen hun oorsprong moeten vinden in een ander sociaal-cultureel normstelsel. Daarom besluiten we met een pleidooi voor een ethiek van verbondenheid.

De urgentie van het klimaatvraagstuk

"Human progress is neither automatic nor inevitable. We are faced now with the fact that tomorrow is today. We are confronted with the fierce urgency of now. In this unfolding conundrum of life and history there is such a thing as being too late..." (Martin Luther King Jr., geciteerd in UNDP, 2007)

 

Met het Vierde Evaluatierapport (AR4, 2007) van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) is de wetenschappelijke consensus over de aard, de oorzaken en de urgentie van het klimaatprobleem alleen maar gegroeid. Vooraleer in te gaan op wat er in de toekomst zou moeten gebeuren op het vlak van klimaatbeleid, vatten we nog eens de belangrijkste bevindingen van het AR4-rapport samen.

De aarde warmt op. De gemiddelde aardtemperatuur is gedurende de laatste 150 jaar significant gestegen met ongeveer 0,76°C. Bovendien valt er een versnelling waar te nemen. De temperatuur steeg in de laatste vijftig jaar gemiddeld bijna tweemaal zo snel als tijdens de laatste honderd jaar. En maar liefst elf van de laatste twaalf jaren bevinden zich in de top twaalf van de warmste jaren sinds 1850. Deze opwarming uit zich consistent in allerlei andere fysische parameters zoals toegenomen atmosferische vochtigheid, afgenomen sneeuw- en ijsbedekking, en een stijgend zeeniveau.

De mens is verantwoordelijk. Hoewel het IPCC ook het opwarmende effect van wijzigende zonneactiviteit expliciet erkende, is het (netto) temperatuurverhogende zonne-effect miniem in vergelijking met de opwarmende invloed van de menselijke uitstoot van broeikasgassen. De verhouding wordt geschat op ongeveer 1:20 sinds 1750. Op geen enkele manier kan wijzigende zonne-activiteit de (versnelde) opwarming sinds 1985 veroorzaakt hebben (Lockwood en Fröhlich, 2007). Sinds 1985 is de zonneactiviteit juist in de klimaatafkoelende richting geëvolueerd. In de praktijk zag men evenwel een verdere temperatuurstijging van 0,3°C, die grotendeels verklaard kan worden door de versnelde toename van broeikasgassen in de atmosfeer.

Het probleem is ernstig. Zelfs in het meest optimistische VN-toekomstscenario (B1) is het zeer onwaarschijnlijk dat we onder de beruchte 2°C-grens (zie verder) blijven ten opzichte van de pre-industriële temperatuur. De grens van 2°C opwarming kan alleen worden vermeden als de mensheid haar uitstoot nog drastischer vermindert tegen 2050 dan in het ultralage B1-scenario werd vooropgesteld, namelijk een mondiale daling van minstens 50% tegen 2050.

Een krachtige aanpak is ook economisch zinvol. Om te beslissen of het zinvol is te investeren in een klimaatbeleid zullen economen de kosten en de baten van de klimaatmaatregelen met elkaar vergelijken. Zowel het IPCC als de ex-Wereldbankeconoom Nicholas Stern (2006) komen tot de conclusie dat de ‘kost van inactie' groter is dan de kostprijs van het noodzakelijke klimaatbeleid. Stern heeft duidelijk aangetoond dat ‘niets doen' een economische recessie zou teweegbrengen: een jaarlijks verlies van 5 tot 20% van het Bruto Mondiaal Product. Hij stelt daarom voor om minstens 1% van het Bruto Mondiaal Product te spenderen aan klimaatmaatregelen. Economisch gezien is dat zinvol, aldus Stern, omdat de kostprijs van zo'n beleid lager is dan de toekomstige schade in afwezigheid van een klimaatbeleid. Klimaatwetenschappers erkennen dat hoe langer men wacht in te grijpen, hoe groter de gevolgen zullen zijn en hoe langer die zullen nawerken.

Oppassen voor klimaatonrechtvaardigheid. Een uitermate relevant gegeven in het klimaatvraagstuk behelst de omgekeerde relatie tussen de historische verantwoordelijkheid voor de opwarming en de kwetsbaarheid voor het probleem. De landen die de laatste 200 jaar voor de grootste uitstoot hebben gezorgd (de Verenigde Staten, Europa en Japan: ongeveer 60% van de historische koolstofuitstoot, en slechts 15% van de wereldbevolking) zijn niet de landen zijn waar vandaag en morgen de slachtoffers vallen. Het is inmiddels goed gedocumenteerd dat bepaalde gebieden in de wereld veel nadeliger zullen worden beïnvloed dan andere regio's. Volgens het IPCC zijn er drie bijzondere regio's die uiterst gevoelig zullen zijn voor de toekomstige klimaatwijzigingen: Azië (grote delen) en de megadelta's (Azië, Egypte), zwart Afrika en de kleine (laaggelegen) eilanden. Uit onderzoek blijkt duidelijk dat het Afrikaanse continent, dat op geen enkele wijze verantwoordelijk kan worden gesteld voor de huidige opwarming, één van de meest kwetsbare gebieden ter wereld is. Dit heeft voor een deel te maken met de beperkte aanpassingscapaciteit. Men verwacht dat tegen 2020, tussen 75 en 250 miljoen mensen zullen moeten overleven in gebieden met grote waterschaarste. Het spreekt voor zich dat dit niet bepaald een positieve invloed zal hebben op de voedselzekerheid van dit continent. Ook grote delen van Azië worden zwaar getroffen. Vooreerst gaat het over de landen die voor hun watervoorziening afhankelijk zijn van de Himalaya-gletsjers. Door het verdere smelten van deze gletsjers neemt de kans toe op overstromingen en steenlawines. Binnen enkele decennia, wanneer de gletsjers sterk in omvang zijn afgenomen, verwacht men een aanzienlijke daling van de waterbevoorrading. Men schat dat tegen 2050 ongeveer 1 miljard mensen met dit probleem zal te maken krijgen. Een ander kwetsbaar gebied zijn de mega-delta's die onder druk komen te staan van een stijging van het zeeniveau. Zeespiegelstijgingen en extreme weerfenomenen hebben ook een bijzonder zware impact op kleine eilanden. De degradatie van de kustgebieden, als gevolg van erosie en het bleken van de koralen (door de hoge temperatuur), zal uitgesproken negatieve gevolgen hebben voor de lokale visserij en het toerisme. Laaggelegen eilanden zullen te maken krijgen met extra overstomingen, waardoor vitale infrastructuur zal worden beschadigd.

Klimaateffecten spelen vandaag al een belangrijke rol in de levens van de armste mensen ter wereld. Droogtes, overstromingen en stormen hebben een onmiddellijke impact, vooral voor die mensen die in de kwetsbare zones leven en bovendien geen financiële middelen bezitten om zich te beschermen tegen potentiële klimaatschokken. Het UNDP-rapport toont overduidelijk aan dat klimaatwijzigingen een nefaste invloed hebben op de toekomstige ontwikkelingskansen voor miljoenen mensen in deze wereld. Klimaatwijzigingen verhogen de druk op verarmde samenlevingen, waardoor die in een negatieve spiraal van deprivatie terechtkomen. De kwetsbaarheid ten aanzien van extreme weersfenomenen - waarvan de frekwentie toeneemt naarmate de planeet verder opwarmt - is extreem ongelijk verdeeld in deze wereld. In de periode 2000-2004 werden jaarlijks ongeveer 262 miljoen mensen geconfronteerd met klimaatrampen. 98% van de slachtoffers bevonden zich in de zogenaamde ‘ontwikkelingslanden'. Rekening houdend met de bevolkingsgrootte is het risico ten aanzien van klimaatrampen 79 maal kleiner voor een inwoner uit een rijk OESO-land vergeleken met iemand die de pech heeft geboren te zijn in een ‘ontwikkelingsland'.

Zonder klimaatbeleid zal deze schrijnende vorm van ongelijkheid nog verder toenemen. De kwetsbare regio's in de wereld beschikken niet over de middelen om zich aan te passen aan de stijging van de zeespiegel (megadelta's) of aan de toekomstige droogte en de daarmee gepaard gaande voedselproblematiek (Afrika, Azië). Een succesvol aanpassingsbeleid vereist financiële hulp van de rijke landen. Gebeurt dat niet, dan kan men inderdaad spreken van aanpassingsapartheid, een term die voor het eerst gelanceerd werd door Desmond Tutu, Aartsbisschop van Zuid-Afrika: "The world's poor cannot be left to sink or swim with their own resources while rich countries protect their citizens behind climate-defence fortifications. Social justice and respect of human rights demand stronger international commitment on adaptation." De recente aandacht voor de VN-millenniumdoelstellingen dient gekoppeld te worden aan het besef dat zonder stringente maatregelen tal van die doelstellingen gewoon niet kunnen worden gehaald. Integendeel. Een escalerende globale opwarming zou het proces van ‘ontwikkeling' wel eens kunnen stopzetten en zelfs doen terugdraaien. Dit impliceert meer extreme armoede, honger, gezondheidsproblemen etc. Hoe de wereld zal omgaan met het klimaatvraagstuk zal een rechtstreeks effect hebben op de ontwikkelingskansen van miljoenen tot zelfs miljarden mensen in deze wereld. Als we falen dan zal volgens het UNDP de armste 40% van de wereldbevolking veroordeeld worden tot een schimmig bestaan. Ongelijkheden binnen landen zullen vergroten, terwijl de kans op een inclusieve globalisering langzaamaan zal wegebben waardoor de kloof tussen haves en have-nots verder vergroot. Het UNDP vat de situatie als volgt samen: "Confronted with a problem as daunting as climate change, resigned pessimism might seem a justified response. However, resigned pessimism is a luxury that the world's poor and future generations cannot afford - and there is an alternative." (UNDP, 2007)

Wat moet er dan gebeuren? Adaptatie en mitigatie

Ondertussen weten we met een aan de zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat we zonder een serieus klimaatbeleid naar temperatuurstijgingen gaan die ver boven de niveaus zullen liggen die de mensheid ooit gekend heeft. Om de klimaatwijzigingen te lijf te gaan, is er behoefte aan twee zaken die tegelijkertijd moeten gebeuren: (1) aanpassing aan de klimaatgevolgen die door de traagheid in het systeem al onafwendbaar zijn én (2) een beperking van de snelheid en de uiteindelijke schaal van de opwarming.

Adaptatie. Het IPCC stelt vast dat er vandaag al, althans in beperkte mate, aanpassingsmaatregelen worden uitgevoerd: dijkversterking in Nederland, bescherming tegen plotse wateruitbraken uit gletsjermeren in Nepal, watermanagement in Australië en enkele maatregelen in Europa ten aanzien van hittegolven. Dit beleid zal moeten worden versterkt. Voor sommige van de klimaatevoluties is aanpassing het enige toereikende antwoord. De mogelijke opties zijn gevarieerd: puur technologische maatregelen (bv. dijkversterking), gedragswijzigingen (bv. andere woon-, transport en voedselkeuzes) en beleidskeuzes (planningsmaatregelen). In de literatuur is er op dit moment weinig kennis over de effectiviteit van de verschillende maatregelen. Bovendien zijn er enorme ecologische, economische, sociale en gedragsbarrières om zo'n beleid te implementeren. Het spreekt voor zich dat in de ontwikkelingslanden de barrières van vooral financiële aard zijn. De kwestbaarheid ten aanzien van klimaatwijzigingen kan worden versterkt door de aanwezigheid van andere stressfactoren (ongelijke toegang tot grondstoffen, armoede, infectieziekten, oorlogen, voedselonzekerheid). Hierdoor kunnen de veerkracht en de aanpassingscapaciteit van een samenleving bezwijken. Een geïntegreerd beleid dringt zich op. Omdat aanpassing moeilijker en duurder zal worden naarmate de gemiddelde temperatuur verder stijgt, is het even essentieel dat klimaatmitigatie hoog op de agenda staat.

Mitigatie. Voor ‘gevaarlijke klimaatwijzigingen' werd de laatste jaren vaak gerefereerd aan de 2°C-grens. Dat is de niet te overschrijden stijging van de temperatuur ten opzichte van die uit het pre-industriële tijdperk. Op basis van een reeks simulaties heeft het IPCC becijferd dat, om de opwarming nog te beperken tot 2-2,4°C, tegen 2050 de wereldwijde broeikasgasuitstoot met 50 tot 85% zou moeten dalen. Voor de Westerse landen gaat het over een noodzakelijke daling van 80 à 90% tegen 2050 (met een tussentijdse doelstelling van 25 à 40% tegen 2020). Deze reducties lijken op het eerste zicht politiek ‘onhaalbaar'. De opwarming zal wellicht de kritische drempel van 2°C overschrijden. Uit realiteitsbesef schetst het IPCC daarom ook andere toekomstscenario's. Een daling van de wereldwijde uitstoot van 30 tot 60% tegen 2050 zou overeenkomen met een (meest waarschijnlijke) opwarming van 2,4-2,8°C. Probleem is dan wel dat men stilzwijgend talrijke mensen veroordeelt tot het ondergaan van gevaarlijke klimaatwijzigingen. Zo zouden bij een opwarming vanaf ongeveer 2,5°C tegen 2080 meer dan drie miljard mensen geconfronteerd worden met waterschaarste (Parry e.a., 2001). Daarbij komt dat dergelijke opwarmingniveaus de mensheid blootstellen aan een reële kans op abrupte klimaatevoluties, zoals het onomkeerbaar smelten van het Groenlandijs en het Noordpoolzeeijs, en een catastrofale vrijgave van methaan uit permafrostbodems.

Op weg naar concrete actie: 4 E's voor verandering

Het zal niemand verbazen indien we hier stellen dat het geen sinecure is om de grote ecologische omslag te realiseren. De barrières zijn talrijk en hardnekkig. Toch dringt de tijd. Dat is duidelijk gebleken uit het jongste IPCC-rapport. Anderzijds is het IPCC-rapport ook hoopvol. Het is wel degelijk realistisch de mondiale uitstoot drastisch te reduceren en de ergste klimaatwijzigingen te voorkomen. Via de combinatie van gedragswijzigingen én bestaande en nieuwe technologie is het in principe zelfs mogelijk om alsnog de doelstelling van een 50 à 85% wereldwijde CO2-reductie te respecteren. Dat veronderstelt evenwel grote inspanningen in alle sectoren én landen, die vooral onverwijld moeten worden uitgevoerd. Het spreekt voor zich dat zo'n transitie absoluut behoefte heeft aan een krachtdadig mondiaal klimaatakkoord waarin alle belangrijke landen verplichtingen opnemen. Een post-Kyoto regime heeft nood aan een stevige machtsbasis. Op dit moment teert het Kyoto-Protocol op het leiderschap van de EU. Dat is onvoldoende. Zowel geïndustrialiseerde landen - zoals Rusland, Canada, Japan, Australië en de VS - als opkomende nieuwe economische grootmachten - zoals India, China en Brazilië - dienen meer op de voorgrond te treden bij de opbouw van een nieuw mondiaal klimaatregime (zie verder).

Ook lokale en nationale overheden moeten hun steentje bijdragen. In de Engelse vakliteratuur (Stevenson en Keehn, 2006) spreekt men van de 4 E's: exemplify (geef het goede voorbeeld), engage (zorg voor betrokkenheid), encourage (moedig aan) en enable (maak verandering mogelijk). De eerste E is evident. Overheden moeten hun voorbeeldfunctie ten volle opnemen, onder andere in hun openbaar aanbestedingsbeleid. Inconsistenties bij de overheid leiden regelrecht tot gebrek aan gedragswijzigingen bij de doorsnee burger-consument. De tweede E - engage - is eveneens cruciaal: één van de conclusies uit het sociologisch onderzoek naar gedragswijzigingen luidt dat het van fundamenteel belang is mensen te betrekken bij het vereiste transitieproces naar een koolstofarme economie. De manier waarop informatie wordt gepresenteerd heeft een niet te onderschatten invloed op de mate van betrokkenheid en bereidheid van mensen om de hand in eigen boezem te steken. Een overaanbod aan informatie kan leiden tot gelatenheid en minder bereidheid tot verandering. Informatie moet steeds gepaard gaan met het overbrengen van oplossingen die de mensen engageren. Voor een ruim publiek wordt een complexe boodschap, zoals die van het klimaatvraagstuk, het best opgesplitst in kleinere be-grijp-bare delen (bv. op het vlak van voedsel, mobiliteit, reizen, wonen) met zoveel mogelijk aandacht voor concrete actie. Na te streven gedrag of doelen moeten haalbaar zijn. Daarom is het soms zinvol om meer kleine, stapsgewijze doelen naar voren te schuiven, die allemaal samen evenwel een grote impact zouden hebben.  

De twee laatste E's - enable en encourage - vereisen een combinatie van (1) juridische instrumenten (regulering en standaarden) om de producenten aan te zetten tot het leveren van kwaliteit op de markt, (2) economische instrumenten (ecoheffingen, ecoboni en quotasystemen) om het gedrag van producenten en consumenten in de duurzame richting te sturen, en (3) structurele maatregelen om drempels te verlagen en duurzame alternatieven beschikbaar te maken.

Naar een ethiek van verbondenheid

Ondanks het feit dat de instrumenten om tot een duurzaamheidstransitie te komen gekend én realistisch zijn, zal de noodzakelijke omslag er pas echt kunnen komen indien er zich tegelijkertijd evoluties voordoen qua ethiek en wereldbeeld. In de hedendaagse, "volle wereld" zijn de ecologische crisis en het mondiale rechtvaardigheidsvraagstuk niet van elkaar te scheiden. Beide crisissituaties vragen om een omschakeling van het huidige stelsel naar een ecologische economie. Dit is onmogelijk zonder draagvlak bij de bevolking. De huidige mondiale realiteit vraagt ook om de ontwikkeling en verspreiding van een nieuwe ethische basishouding (Terra Reversa, 2007). De gangbare moderne ethiek van politieke en sociale burgerrechten volstaat daarvoor niet meer. Zodra een zeker gemiddeld inkomen is bereikt, is er geen intrinsieke band tussen méér materiële goederen en meer geluk. Studies op het vlak van de zogenaamde life satisfaction index hebben dat duidelijk aangetoond. (NEF, 2004) Dit inzicht biedt een kans op een nieuwe ethiek die gangbare beelden van het goede leven herdefinieert. Het werken aan dergelijke nieuwe ethiek is een hele opgave op zich. Het resultaat ligt bovendien niet zomaar voor het rapen in een pluralistische context zonder gemeenschappelijke taal om dergelijke morele vragen aan te pakken. Niettemin kan men deze opgave niet uit de weg gaan. Het ontwikkelen van een nieuwe ethiek houdt minstens in dat we het verband verder doordenken tussen de volgende drie principes: erkennen van ecologische grenzen, zorgen voor sociale rechtvaardigheid en andere opvattingen over het goede leven. Het gaat daarbij over zowel inter- als intragenerationele rechtvaardigheid.

Duurzaamheid als het erkennen en respecteren van ecologische grenzen. "Verleg je grenzen" of "verruim je horizon" zijn inmiddels verworden tot evidente lijfspreuken in het Westen. Het idee van vrijheid waarop deze leuzen zijn gestoeld, kan worden gedefinieerd als "negatieve vrijheid". Dat wil zeggen dat men vrij moet zijn van verboden of beperkingen. Nochtans is het vandaag tijd voor een recontextualisering van de mens in de tijd en ruimte. Dat impliceert minstens een erkenning van de wederzijdse afhankelijkheid (verbondenheid) van mens en natuur, respect voor de levensruimte van andere soorten en een levenswijze die gekenmerkt wordt door vormen van sufficiëntie. De urgentie van een erkenning van ecologische wederzijdse afhankelijkheid wordt heel nuchter samengevat in het volgende citaat: "Ecological interdependence is not an abstract concept. [...] All too often, religious, cultural and ethnic identity are treated as a source of division and difference from others. In the face of all these differences, climate change provides a potent reminder of the one thing that we share in common. It is called planet Earth. All nations and all people share the same atmosphere. And we only have one." (UNDP, 2007)

De klassieke antropocentrische visie, die leidt tot een pijnlijke en uiteindelijk zelfvernietigende scheiding tussen mens en natuur, is dus fundamenteel achterhaald. Hoewel de mens een zelfbewuste soort is die in een bijzondere positie verkeert, blijft hij (zij) op de keper beschouwd deel uitmaken van het Ecosysteem Aarde en is hij (zij) er fundamenteel afhankelijk van. Een nieuwe ethiek van verbondenheid moet zorgen voor een verregaande verantwoordelijkheid ten aanzien van het menselijk ingrijpen in de natuurlijke omgeving. Die verantwoordelijkheid mag niet meer doorgeschoven worden naar de toekomst, en moet dus binnen de nu levende generatie opgenomen worden. Toegepast op het klimaatvraagstuk betekent dit dat de huidige generaties een stringent klimaatbeleid moeten voeren in plaats van de hete aardappel door te schuiven naar de toekomstige generaties.

Radicalisering van het principe van sociale rechtvaardigheid. In de volle wereld van vandaag stelt het sociale herverdelingsvraagstuk zich veel scherper. Het gaat niet op om het armoedevraagstuk te omzeilen door de economische taart verder te vergroten, zoals dat in de Keynesiaanse na-oorlogse jaren het geval was. Vandaag botsen we frontaal op de ecologische grenzen. Dit is niet langer een abstracte uitspraak. De recente voedselrellen, die het gevolg zijn van stijgende olieprijzen, speculatie op voedselmarkten en de groeiende vraag naar vlees en biobrandstoffen, vormen een duidelijke indicatie van het feit dat de biocapaciteit van de aarde thans overbevraagd wordt. We bevinden ons in het rood. De gevolgen laten zich nu hoe langer hoe duidelijker voelen: klimaatopwarming, uitsterving van soorten, gebrek aan water, grotere druk op hernieuwbare grondstoffen.

Er bestaan dus wel degelijk biofysische grenzen aan de groei. Het wordt dan ook dringend tijd dat men deze basisstelling van de ecologische economie erkent en vertaalt naar een nieuw beleid. In een volle wereld hebben acties wel degelijk gevolgen. De vrijheid van excessief consumerende burgers aan de ene kant van de wereld verhoogt de onvrijheid van andere mensen op de wereld. Het beslag op de milieugebruiksruimte is immers exclusief. Wat door de ene wordt ingenomen is niet langer beschikbaar voor de andere. In een volle wereld gaat het dan ook niet langer op om geen grenzen te stellen aan de milieuconsumptie van individuen of landen. Als we uitgaan van het ethische principe dat iedere mens op deze planeet recht heeft op een even groot deel van de natuurlijke bronnen (Eerlijke Aarde Aandeel) én dat we met zijn allen binnen een duurzame benutting van die bronnen moeten blijven, dan dringt zich een herverdeling van de bestaande rijkdom en feitelijke levenskansen op. Die herverdeling moet ook uitzicht geven op ‘gelijke vrijheid'.

Democratische rechten kunnen maar effectief uitgeoefend worden indien ze kunnen steunen op een herverdeling in de zin van ‘toegang' tot hulpbronnen. Dat betekent dat wereldburgerschap vandaag ook ‘ecologisch burgerschap' moet inhouden via de erkenning van ecologische basisrechten. Toegepast op het klimaatvraagstuk impliceert dit dat de huidige verschillen in uitstoot van broeikasgassen (op termijn) ongedaan gemaakt moeten worden. Dit wordt erkend in het principe van Contractie en Convergentie, één van voorstellen die vandaag op tafel liggen voor een mondiaal klimaatakkoord (Calcoen e.a., 2007). Dit model gaat ervan uit dat elke mens recht heeft op een gelijk CO2-uitstootniveau. Dit ethisch principe wordt dan gekoppeld aan de noodzaak om te komen tot een ecologisch duurzame schaal. Er wordt een limiet geplaatst op de mondiale uitstoot die moet dalen tot op een veilig niveau. Vervolgens wijst men de landen uitstootrechten toe om die mondiale limiet te behalen, overeenkomstig het bevolkingsaantal. Het C&C-voorstel is pragmatisch in de zin dat de emissierechten vertrekken vanuit de huidige uitstootniveaus: het schema voorziet dus een transitieperiode. Een land dat ondanks binnenlandse reductie-inspanningen zijn quota overschrijdt, dient emissierechten aan te kopen. De opbrengst van deze rechten kan het verkopende land in kwestie investeren in duurzame ontwikkeling. Het voordeel is dat deze optie rekening houdt met het gelijkheidsprincipe, alsook met de historische koolstofschuld. Industrielanden die in het verleden sterk bijdroegen tot de huidige opwarming zullen grotere inspanningen moeten leveren.

Herdefiniëring van opvattingen van een ‘goed leven'. Daarbij zijn volgende elementen zeker van belang: een positieve argumentatie voor een ‘sufficiënte' levenswijze, niet als een tekort, maar als een nieuwe kans. Het UNDP stelt: "The starting point for action and political leadership is recognition on the part of governments that they are confronted by what may be the gravest threat ever to have faced humanity. Facing up to that threat challenges at many levels. Perhaps most fundamental of all, it challenges the way that we think about progress." (UNDP, 2007) Sinds het vooruitgangsideaal algemeen ingang vond in het Westen, moet elk facet van ons leven - voeding, onderwijs, wetenschap, gezondheid, transport, vrije tijd, reizen, wonen et cetera - sneller, uitgebreider, verder en groter zijn. De mate van vooruitgang laat zich aflezen aan het aantal comparatieven en superlatieven. Stilstaan is vandaag een synoniem voor achteruitgaan. Nochtans wijst onderzoek (NEF, 2004) uit dat "meer" vaak geen synoniem meer is voor "beter". Een andere verhouding tot de tijd, gericht op een structurele ‘onthaasting', waardoor een betekenisvol leven meer toegankelijk wordt voor iedereen, lijkt ons maatschappelijk wenselijk. Fundamenteel natuurlijk is dat men zich niet alleen richt op het promoten van andere levensvisies maar dat die andere levenskeuzes ook concreet ondersteund worden door overheden in een nieuw type van beleid. Het gaat immers niet op mensen op te roepen om te onthaasten als het een utopie blijkt te zijn in de omringende socio-ecnomische context. Essentieel is dat wordt gewerkt aan sterke pull-factoren, factoren die mensen strutureel aantrekken tot duurzame alternatieven (cf. Enable en Encourage in het 4E-model). De uitdaging bestaat erin om aan te tonen dat een ecologische economie een lage milieu- en klimaatimpact weet te koppelen met zinvolle tewerkstelling, ‘rijke' levenskwaliteit en een hoge graad aan subjectief welbevinden. In een ecologische economie is het leuker leven dan in de huidige maatschappij.

Samenwerken of zelfvernietigende competitie

De vraag is natuurlijk of rijke en machtige landen als de VS bereid zullen zijn om in de toekomst een klimaatverdrag te ondertekenen dat gestoeld is op de hierboven geschetste principes. Er zijn verschillende redenen aan te geven waarom zij dat niet zouden doen. Primo. De machtigen der aarde geven hun privileges natuurlijk niet zo maar vanzelf af. Secundo. Sommige landen zijn niet bereid om grote klimaatinspanningen te leveren aangezien zij ervan uitgaan dat zij zelf (op korte termijn) niet al te veel schade zullen ondervinden door de klimaatwijzigingen. Het UNDP-rapport stelt in deze context: "While there is potential catastrophic risk for everyone, the short and medium-term distribution of the costs and benefits will be far from uniform. The distributional challenge of the costs and benefits is made particularly difficult because those who have largely caused the problem - the rich countries - are not going to be those who suffer the most in the short term." (UNDP, 2007)

Tertio. Zelfs in het hypothetische scenario waar alle landen ter wereld even hard zouden worden getroffen door de klimaatwijzigingen, is het niet evident dat er een stevig mondiaal klimaatverdrag zou komen. Dat heeft te maken met het zogenaamde prisoners dilemma. De kost om een essentieel publiek goed te behouden (zoals een stabiel klimaat) is voor iedereen het laagst als iedereen tegelijkertijd een inspanning levert. In een door de markt gedomineerde samenleving zullen alle betrokkenen proberen in te schatten of anderen ook de nodige inspanningen zullen leveren of enkel zullen profiteren van de moeite die zijzelf doen. Indien zij verwachten dat anderen zich zullen gedragen als free riders, dan zullen zij bij voorkeur evenmin iets doen. Dit neigt naar een gevaarlijke situatie waarin niemand iets onderneemt en het publiek goed, waarvan iedereen in feite afhankelijk is, uiteindelijk verloren gaat (bv. gevaarlijke klimaatwijzigingen).

Om toch oplossingen te vinden voor dit dilemma zal het er in de internationale context op aankomen de condities te creëren waarbij de diverse natiestaten elkaar overtuigen om volop te gaan voor een dergelijk beleid. In deze context spreekt men van een I will if you will-situatie, die ervoor zorgt dat het klassieke prisoners dilemma wordt opgelost. De speltheorie laat namelijk duidelijk zien dat indien de betrokkenen de verwachting, of beter nog, de garantie hebben dat anderen wél hun bijdrage zullen leveren, dan zullen zij ook eerder geneigd zijn om een deel van de verantwoordelijkheid te dragen. In dat geval is iedereeen beter af.

Er zijn nog twee andere argumenten te geven waarom een sterk klimaatbeleid zin heeft, ook voor de rijkste landen. Het eerste vertrekt vanuit een negatieve visie. De hypothese luidt dat we, in afwezigheid van een mondiaal klimaatbeleid (met verregaande mitigatie en adaptatie), in de nabije toekomt in een zeer turbulente, gevaarlijke wereld zullen terchtkomen. Het betreft een situatie waarbij miljoenen klimaatvluchtelingen zich een weg zullen trachten te banen naar het rijke Westen. Zelfs vanuit een verlicht eigenbelang is het dan essentieel dat de klimaatwijzigingen een halt worden toegeroepen. De kost van inactie zal zich laten vertalen in mondiale chaos. De boemerang komt dan terug in het aangezicht van het Westen. Een positievere benadering vertrekt vanuit het besef dat een stringent klimaatbeleid heel wat voordelen (ancillary benefits in de vakliteratuur) biedt die nu onmiddellijk én lokaal zullen worden gevoeld. Door volop te kiezen voor duurzame mobiliteit, hernieuwbare energie, industriële ecologie en een sociaal-ecologische woonpolitiek boekt men vooruitgang op het vlak van energieautonomie, nieuwe jobs (ETUC, 2007), betere luchtkwaliteit, lagere gezondheidskosten etc. De kostprijs van een klimaatbeleid laat zich op die manier vanzelf terugbetalen. In die zin gaat het free-rider-argument om zelf niets te moeten doen, absoluut niet op.

Een historisch kruispunt

We zijn aanbeland op een tipping point in de geschiedenis. De keuzes die we nu maken, bepalen welke toekomst ons te wachten staat. We kunnen focussen op de kansen die deze crisis met zich meebrengt. Dat zijn niet alleen nieuwe economische opportuniteiten, heel veel nieuwe banen en een herwonnen energieautonomie, maar vooral - met de gevleugelde woorden van Al Gore - iets wat weinige generaties voor ons gekend hebben: een gezamenlijk moreel doel dat de grenzen van politieke partijen, regio's en religies overstijgt, en dat ons dwingt om bekrompenheid en politieke conflicten terzijde te leggen en een echte morele en spirituele uitdaging aan te gaan. Laten we hopen dat de aan Al Gore en het IPCC toegekende Nobelprijs voor Vrede als katalysator voor dit proces kan fungeren.

Bibliografie

 

CALCOEN, S., JONES, P.T., VANDEN BRANDE, E., DE WALSCHE, A., Op weg naar een ecologisch effectief en sociaal rechtvaardig post-Kyotoakkoord, in MO*-paper, (2007).

ETUC, Climate Change and Employment: Impact on employment of climate change and CO2 emissions reduction measures in the EU-25 to 2030, (2007).

IPCC, Fourth Assessment Report (AR4), WMO/UNEP, Geneve, 2007 [4 delen, beschikbaar via www.ipcc.ch].

JACKSON, T., Motivating Sustainable Consumption: A review of evidence on consumer behaviour and behavioural change, SDRN, (2005).

JONES, P.T., HUYBRECHTS, P., Met het Groenlandijs valt niet te onderhandelen, in De Standaard, 9-6- 2007.

JONES, P.T., JACOBS, R., Terra Incognita: Globalisering, ecologie en rechtvaardige duurzaamheid, Gent, Academia Press, (2006/2007).

JONES, P.T., De loopgravenoorlog van de klimaatsceptici, in De Tijd, 13-4-2007.

LOCKWOOD, M., FRÖHLICH, C., Recent oppositely directed trends in solar climate forcings and the global mean surface air temperature, in Proceedings of the Royal Society A, (2007) [doi:10.1098/rspa.2007.1880].

NEF, A well-being manifesto for a flourishing society, Londen, (2004).

ORESKES, N., The Scientific Consensus on Climate Change, in Science, 306 (2004), 1686.

PARRY, M.L., e.a., Viewpoint. Millions at risk: defining critical climate change threats and targets, in Global Environmental Change, 11 (2001), 181-183.

STERN, N., Stern Review on the Economics of Climate Change, Royal Institute London, 30-10-2006.

STEVENSON, G., KEEHN, B. (red.), I will if you will: Towards sustainable consumption, SDC/NCC, (2006).

UNDP, Human Development Report 2007/2008, New York, (2007).

TERRA REVERSA, Manifest Themagroep Ethiek, (2007) [http://www.terrareversa.be/index.php?option=com_content&task=view&id=28&Itemid=30]

Bio's

 

Peter Tom Jones (1973) is Burgerlijk Ingenieur Milieukunde, Doctor in de Toegepaste Wetenschappen en werkzaam als post-doctoraal onderzoeker aan de KULeuven. Hij publiceerde in diverse tijdschriften omtrent thema's als klimaat en ecologische economie. Hij is o.a. auteur van (samen met Roger Jacobs) Terra Incognita: Globalisering, ecologie en rechtvaardige duurzaamheid (GINKGO, Academia Press, Gent, 2006/2007) en (samen met Els Keytsman) Het Klimaatboek: Pleidooi voor een ecologische omslag (EPO, Berchem, 2007). Zie ook http://www.petertomjones.be/ en http://www.terrareversa.be/, de denktank voor ecologische economie waar hij één van de drijvende krachten van is.

Vicky De Meyere is antropologe/politicologe en werkt voor het Project ‘Cultuur en (geestelijke) Gezondheid' aan het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg in Brussel. Zij publiceerde diverse artikels over klimaat en ethiek.

 
< Vorige   Volgende >
Boeken
Klimaatcrisis

Klimaatcrisis: Het failliet van het klimaatscepticisme

Terra Reversa

Terra Reversa: de transitie naar rechtvaardige duurzaamheid

Het Klimaatboek

Het Klimaatboek

jpg_terraincognita.jpg

Terra Incognita


globaaltenonder.jpg

Globaal ten Onder?


Esperanza 

Esperanza


globaaltenonder.jpg

Ya Basta!

 

Hosting by Belgon ICT