| Oorzaken en uitwegen voor de wereldwijde voedselcrisis (Jones & Van Uffel, Streven, 2009, 99-110) |
|
|
|
Na jarenlange dalingen van de voedselprijzen zijn sinds 2005 de prijzen van verschillende basisvoedingsmiddelen scherp de hoogte ingegaan. Dit richt in het Zuiden een catastrofe aan: minder mogelijkheden op het vlak van scholing, gezondheidszorg en andere basisgoederen. Hoewel de prijzen door de kredietcrisis tijdelijk dalen, behandelt dit artikel de langetermijntrends die zich aftekenen. Er wordt gezocht naar diverse oorzaken van de prijsstijgingen en enkele aanzetten tot structurele oplossingen passeren de revue. (Jones, P.T., Van Uffel, E., Streven, februari 2009, 99-110)
Peter Tom Jones & Erwin Van Uffel Oorzaken en uitwegen voor de wereldwijde voedselcrisis Voedsel is niet (langer) het gegarandeerde basisgoed dat het zou moeten zijn. Na jarenlange dalingen zijn sinds 2005 de prijzen van verschillende basisvoedingsmiddelen scherp gestegen. Deze prijsstijgingen zijn vrij algemeen. In de periode 2005-2007 werd maïs 80% duurder, melkpoeder 75%, tarwe 70% en rijst 25%1. In de eerste helft van 2008 gingen deze prijzen, vooral voor rijst, verder de hoogte in. Op verschillende markten ontstonden er tekorten aan basisproducten. Waar hogere voedselprijzen in het Westen voor problemen kunnen zorgen bij alleen de minst begoede consumenten, wordt er in het Zuiden een ware catastrofe aangericht. In het Westen maakt voedsel slechts een beperkt deel uit van het huishoudelijk budget, bij vele mensen in het Zuiden ligt deze verhouding helemaal anders. Hogere voedselprijzen betekenen voor hen minder mogelijkheden op het vlak van scholing, gezondheidszorg en andere basisgoederen. De financiële crisis sinds de tweede helft van 2008 heeft uiteraard wel opnieuw voor een neerwaartse druk gezorgd op de prijzen van allerlei grondstoffen, waaronder olie2 en ook voedsel. In dit artikel zijn wij evenwel vooral geïnteresseerd in de langetermijntrends. En dan is de toestand vrij duidelijk: zodra de economie weer aantrekt, zullen de voedselprijzen opnieuw stijgen3. Dit betekent dat de voedselrellen van begin 2008 in grote delen van Azië en Afrika slechts een voorproefje zijn voor wat men in de toekomst kan verwachten. Vijf oorzaken voor de prijsstijgingen van voedsel
Olie wordt duurder Een van de meest fundamentele oorzaken van de voedselprijsstijgingen in de periode 2005-midden 2008 is de structurele stijging van de olieprijs. Olie bepaalt immers de hele levensloop van landbouwgewassen: landbouwmachines draaien op olie, meststoffen vereisen energie tijdens hun productiefase, veevoeders en voedselproducten moeten worden getransporteerd. Aan de basis van de stijging van de olieprijs - los van zelfs scherpe kortetermijnfluctuaties - liggen allerlei factoren. Cruciaal is de snelle opkomst van de energiehongerige groeilanden (de zogeheten BRIC-landen: Brazilië, Rusland, India, China). Vooral de Aziatische grootmachten China en India vertonen een duizelingwekkende groei. Meer nog dan in India concentreert de economische groei in China zich op industriële productie, wat dit land extreem afhankelijk maakt van te importeren olie. Tevens is de productiewijze van de Chinese industrie over het algemeen (nog) minder energie-efficiënt dan die van westerse bedrijven. Per geproduceerde eenheid output is er bijgevolg meer olie nodig. Dat de Chinese economieze[N1] ondanks deze relatieve inefficiëntie nog steeds zo sterk groeit, heeft voor een groot deel te maken met het immense loonverschil tussen China en het Westen. De Indiase groei richt zich meer op de dienstensector (bv. informatica) en is iets minder sterk dan de Chinese. Al bij al zorgt de economische groei in deze landen voor de opkomst van een rijkere middenklasse die het westerse consumptiepatroon grotendeels overneemt, inclusief autobezit, vliegreizen en vleesconsumptie. Een tweede oorzaak van de olieprijsstijging is het stroeve aanbod. De organisatie van olieproducerende landen OPEC heeft de laatste jaren zeer weinig productieverhogingen doorgevoerd. Enerzijds is dit omwille van het feit dat de productie in vele OPEC-landen reeds maximaal is, anderzijds komt de prijsstijging ze uiteraard voordelig uit, zeker landen die bijna uitsluitend olie exporteren. Het huidige productieplafond is ten dele een gevolg van het feit dat er weinig nieuwe olievoorraden gevonden worden. Het einde van het tijdperk van goedkope olie is in zicht. In jargon spreekt men van peak oil. Daarmee wordt bedoeld dat het aanbod aan olie vanaf een bepaald jaar structureel daalt, met als gevolg dat de prijs pijlsnel zal stijgen. Hoewel specialisten het oneens zijn over de precieze ligging van het kantelpunt, lijkt er, zelfs bij insiders uit de olieindustrie, min of meer een consensus te bestaan dat dit moment ergens tussen nu en 2015 ligt4. Samenvallend met het productieplafond zijn er de spanningen in de olieproducerende gebieden. Bij een strakke verhouding tussen vraag en aanbod zorgt een kleine wijziging in het aanbod al vlug voor een sterke stijging van de prijs. Door geopolitieke spanningen in oliegebieden leeft dus de angst dat het aanbod in gevaar zal komen en zal leiden tot een tekort op de markten. Hierdoor zal de prijs op speculatieve basis omhoog gaan. Door de structurele stijging van de olieprijs bestaat er de mogelijkheid dat men de economisch minder rendabele voorraden (die bv. dieper in de grond zitten en dus moeilijker te ontginnen zijn) eveneens gaat ontginnen. Hetzelfde geldt voor de olie die zich in het Noordpoolgebied bevindt en die bereikbaar aan het worden is. Dit is zeer cynisch als je bedenkt dat de weg naar deze fossiele voorraden letterlijk open wordt gemaakt door het effect van de globale opwarming. Die is op zijn beurt juist mee gecreëerd door de historische aanwending van fossiele brandstoffen. Daarnaast wordt er nu meer gekeken naar onconventionele voorraden zoals teerzandolie. Dit is olie die in grote zandbanken zit, vooral in Canada. Sommigen hopen nu al dat Alberta het nieuwe Saudi-Arabië zal worden. Vanuit een milieuperspectief is de ontginning van olie uit deze teerzanden dramatisch. Ondanks de hogere winningskost, worden deze voorraden nu wel interessant door de structureel hoge olieprijs. Toch zijn dit druppels op een gloeiende plaat. Het punt blijft dat olie in de toekomst een haast onbetaalbaar product wordt. Een structurele transitie (dit is een geleidelijke overgang op systeemniveau) naar een economie die niet afhankelijk is van deze fossiele brandstof dringt zich op, zoals ook erkend wordt in het in november 2008 verschenen World Energy Outlook Report van het Internationaal Energieagenschap5. Het aandeel biobrandstoffen stijgt Een tweede factor bij de prijsstijgingen is de vrij recente evolutie in biobrandstoffen. Dit heeft onder andere te maken met beleidskeuzes voor het radicaal verhogen van het aandeel vloeibare biobrandstoffen in de benzine of diesel die aan de pomp getankt wordt. Zo hoopt de Europese Commissie dat in 2020 dit aandeel minstens 10% bedraagt. De redenen voor deze keuze zijn tweeërlei: de olieafhankelijkheid en de nakende klimaatveranderingen. Men gaat er immers van uit dat biobrandstoffen ‘klimaatneutraal' zijn: netto zouden zij geen extra CO2-uitstoot veroorzaken. In werkelijkheid is de situatie evenwel anders. De momenteel commercieel beschikbare biobrandstoffen (‘eerste generatie'), die worden geproduceerd uit voedselgewassen zoals suikerriet, maïs, soja of oliepalmen, scoren op het vlak van hun CO2-balans helemaal niet zo goed. Dat bleek onder andere uit een vaak vermelde studie in het vakblad Science6. De klimaatneutraliteit is vooral slecht indien men voor het telen van de energiegewassen eerst landbouwgrond moet vrijmaken door de omvorming van regenwoud of andere oorspronkelijke ecosystemen. Vooral in landen zoals Brazilië, India en Maleisië is dit proces volop aan de gang. Wanneer regenwoud of savanne vernietigd wordt voor het telen van energiegewassen, dan gaat dit gepaard met aanzienlijke broeikasgasemissies, waardoor een enorme koolstofschuld wordt opgebouwd. De beperkte, directe CO2-winst van die biobrandstoffen in vergelijking met de rechtstreekse verbranding van benzine of diesel, wordt dan wel heel traag terugbetaald. Ondanks de overweldigende wetenschappelijke bewijslast tegen de thans beschikbare biobrandstoffen valt in de praktijk vooralsnog geen echte beleidswijziging te ontwaren. Om de groeiende vraag naar biobrandstoffen op te vangen, zijn er dus twee mogelijkheden: ofwel maakt men nieuwe landbouwgrond ten koste van maagdelijke ecosystemen, ofwel produceert men biobrandstoffen uit voedselgewassen geteeld op bestaande landbouwgrond. Hierdoor kan er minder voedsel worden geproduceerd. De link met de voedselprijzen is dan evident. Het landbouwareaal op onze planeet is beperkt. Als we dat steeds meer inpikken voor de productie van biobrandstoffen, zullen de voedselprijzen verder worden opgejaagd. De huidige eerste generatie biobrandstoffen slorpt nu al veel landbouwareaal op. De mondiale graanproductie bedraagt ongeveer 2 miljard ton per jaar, waarvan 100 miljoen ton gaat naar de productie van biogewassen. Dat aandeel dreigt louter toe te nemen. Als je weet dat ongeveer 800 miljoen mensen in de wereld chronische honger lijden, rijst er zeker een ethisch probleem: brandstof voor auto's of voedsel voor hongerlijdende mensen? Vleesconsumptie neemt toe De derde oorzaak voor de stijging van de voedselprijzen vindt zijn oorsprong in de toenemende vleesconsumptie. In 2005 bedroeg die mondiaal meer dan 269 miljoen ton7. Dat is vijf keer zo veel als een halve eeuw geleden. Bij ongewijzigd beleid zou de vraag naar vlees in de komende twee decennia met 55% toenemen8. De stijging zou vooral plaatsvinden in het Zuiden, waar een groeiende klasse aan ‘nieuwe consumenten' ontstaat. Hogere gemiddelde inkomens correleren vrij goed met hogere vleesconsumptieniveaus. Dit betekent dat in snel groeiende landen als China en India het voedingspatroon van een aanzienlijk deel van de bevolking momenteel verschuift van een grotendeels vegetarisch dieet naar een westers patroon gebaseerd op rundvlees, gevogelte en varkensvlees. Duurzaamheid vereist in principe dat men bij de productie van voedsel efficiënt omgaat met het ‘natuurlijk kapitaal' als land, water en energie. Door de toenemende vleesconsumptie verslechtert echter de efficiëntie s. Zo is er gemiddeld 6 kg graan nodig voor de productie van 1 kg vleesproteïne (gevogelte en varkensvlees zijn minder belastend dan rundvlees). Maar liefst 40% van de wereldgraanopbrengst wordt vandaag dan ook gereserveerd voor de veestapelsector. Via de omweg van de productie van veevoeder is er een enorme verspilling aan landgebruik en energie. De productie van vlees en afgeleide producten zoals melk vraagt ook veel soja, een erg eiwitrijk gewas. In 2004 bedroeg de wereldproductie van soja 223 miljoen ton. Slechts 15 miljoen ton hiervan werd geconsumeerd als vleesvervanger, 33 miljoen ton werd gebruikt voor de productie van sojaolie, en de resterende 143 miljoen ton werd in de vorm van sojameel aan de vee- en visstapel gevoerd9. De productie van 1 kg vlees vraagt echter ongeveer 7 kilogram soja10. Daarbij geeft de hoge vleesconsumptie een heel scala aan andere problemen. In een opzienbarend rapport uit 2007 schatte de VN-landbouworganisatie FAO dat de mondiale veestapelsector vandaag verantwoordelijk is voor 18% van de wereldwijde broeikasgasuitstoot. Dat is meer dan de bijdrage van het mondiale wegvervoer. Vleesconsumptie is dus een belangrijke factor in de klimaatopwarming, die op haar beurt, zullen we zien, nare gevolgen kan hebben voor de huidige en vooral toekomstige landbouwoogsten. Bovendien is veeteelt, aldus de FAO, één van de drie belangrijkste oorzaken voor elk belangrijk milieuprobleem, dus ook voor luchtvervuiling, landdegradatie, verlies aan biodiversiteit en waterschaarste. Ten slotte vergroot de overconsumptie van (vooral rood) vlees het risico op hart- en vaatziekten, overgewicht, diabetes en sommige kankers11. Vooral de link tussen rood vlees en hart- en vaatziekten krijgt meer en meer nadruk. Hart- en vaatziekten zijn de belangrijkste doodsoorzaak in de EU. De gezondheidskosten gerelateerd aan hart- en vaatziekten worden er geschat op 192 miljard dollar12. Naast roken zijn de belangrijkste risicofactoren excessieve opname van cholesterol en een verhoogde bloeddruk. In een recent rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO concludeerde men dan ook dat de expliciete stimulering van zuivel- en vleesproductie door de Europese Unie tot duizenden doden per jaar leidt13. Het onderzoek wees uit dat jaarlijks minstens 12.800 sterfgevallen zijn toe te schrijven aan het Europese landbouwbeleid. Omdat de wetenschappers in deze eerste studie voorzichtigheidshalve hebben gewerkt met conservatieve gegevens, vermoeden zij dat de omvang van het probleem in werkelijkheid beduidend groter is. Zij wijzen erop dat het EU-landbouwbeleid, ooit tot stand gekomen op basis van onder meer overwegingen van volksgezondheid, inmiddels kan worden omschreven als ‘een systeem dat erop is gericht Europeanen te doden via hart- en vaatziekten'.
Klimaatwijzigingen Een vierde factor behelst de impact van de klimaatwijzigingen en de hiermee gepaard gaande evoluties in waterbeschikbaarheid. Hoewel de weerslag van de globale opwarming op de voedseloogsten zich nog moet manifesteren, vallen de eerste effecten reeds vast te stellen. De frequentie aan ‘natuurrampen', met inbegrip van grote neerslagconcentraties, hittegolven en extreme droogtes, stijgt gevoelig. Dit heeft grote gevolgen voor de graanoogsten. In Australië werd men de afgelopen jaren geconfronteerd met een verschrikkelijke, vijfjarige droogte, waardoor de graanoogsten aanzienlijk daalden14. Aan de andere kant van het klimaatspectrum resulteerden overstromingen in Mexico in misoogsten, met als gevolg stijgende voedselprijzen15. Zoals we verderop beschrijven, zal de impact van klimaatwijzigingen op de totale voedselprijsstijging in de toekomst alleen maar groter worden. Speculatie De rol van speculatie bij de voedselprijzen is controversieel. De Wereldbank maakt er geen melding van als bepalende factor, terwijl dit bij de FAO wel het geval is. Hoe groot de invloed is, valt moeilijk uit te maken. Alles wijst er evenwel op dat speculanten een rol spelen. De grote markten waarop voedselproducten verhandeld worden, zoals de Chicago Futures Exchange, dienen volgens de economische theorie voor een efficiënte prijszetting tussen de partijen, die elkaar op deze beurzen vinden. De handel wordt georganiseerd door traders en door allerlei ingewikkelde constructies is het, zeker voor een leek, moeilijk uit te maken wat de invloed van de diverse, afgeleide instrumenten op de prijszetting is. De traders hebben gespecialiseerde software ter beschikking die elke seconde de verandering in prijzen bijhoudt en de invloed hiervan toont op allerlei verhandelbare indicatoren, met vreemde namen als 'gamma', 'delta' of 'vega'. Op basis van deze wijzigingen gaan de traders dan, zuiver technisch, ‘posities innemen'. Dat wil zeggen aankopen of verkopen, los van fundamentele factoren. Waar de oorspronkelijke - economisch nuttige - functie van deze traders het efficiënte verloop van de handel en het wegwerken van kleine prijsverschillen (arbitrage) was, zorgen al deze complexe operaties er nu voor dat er winst kan worden gemaakt op manieren die losstaan van de basishandel. Dankzij deze instrumenten kunnen partijen grondstoffen aankopen en verkopen zonder er fysiek van in het bezit te komen. Grondstofmarkten veranderen de facto in financiële markten. Op deze manier kunnen allerlei partijen ook intreden op deze markten op grond van beleggingsopportuniteiten, zoals dat heet. Zowel voor professionele beleggers (hefboomfondsen en andere) als particuliere beleggers (via beleggingsfondsen en andere instrumenten zoals trackers) wordt het mogelijk een zuiver speculatieve positie in te nemen. Beleggen in honger wordt op deze manier toegankelijk gemaakt voor alle partijen met een beetje geld op overschot. Bij grondstoffen werkt men vooral met future-contracten, waarbij men voor een toekomstige levering van een product (bv. een ton tarwe) een vaste prijs afspreekt voor het moment van de levering. Deze futures worden verhandeld op gespecialiseerde markten. Zo kan een lading olie aan boord van een tanker tijdens de reis honderden keren gekocht en verkocht worden. Op deze futures worden dan nog allerlei afgeleide producten gemaakt (bv. opties). De mate waarin deze speculatie bijdraagt aan de prijsstijgingen is bepalend. Indien deze factor essentieel zou zijn, zoals wordt gesteld door José Graziano da Silva16 (vertegenwoordiger van Latijns-Amerika en de Caraïben bij de FAO), dan zou het aanpakken van deze ‘virtuele inflator' effect hebben op de reële sector. Een artikel in Der Spiegel suggereert dat de invloed van de speculanten wel degelijk doorweegt. Hun vraag naar grondstoffen drijft de prijs op; beleggers zijn ofwel onwetend over dit effect of ze geven er niet om17. Eén ding staat echter buiten kijf: met de prijsstijgingen van de producten worden enorme winsten gemaakt door beleggers. Dit wordt door de meeste beleggingsfirma's zelfs aangeprezen, en uiteraard dienen deze winsten ergens vandaan te komen. Het relatieve gewicht van de vijf factoren In de praktijk is het schier onmogelijk om de vijf beschreven factoren in een rangorde onder te brengen. Commentatoren zijn het sowieso oneens over de impact van de oorzaken. Daarbij komt dat de schaal van de verschillende factoren kan verschillen naargelang het voedingsproduct. Ten slotte beïnvloeden ze voor een groot deel ook elkaar: in wiskundige termen zijn ze geen onafhankelijke variabelen. Toch kan men proberen om een kwalitatieve inschatting te maken van het actuele en het toekomstige belang van de diverse factoren langs zowel de aanbod- als de vraagzijde. Aanbod De op de lange termijn structurele stijging van de olieprijs is een belangrijke factor langs aanbodzijde die met een vertragingseffect doorwerkt in de voedselprijs. Hogere olieprijzen zullen volop doorgerekend worden. En dan moet het fenomeen peak oil nog verdisconteerd. Aan de aanbodzijde gaat men ervan uit dat ook mislukte oogsten beslissend zijn18. Indien de graanoogsten opnieuw structureel zouden toenemen, dan kan dit de voedingsprijzen opnieuw doen dalen. Aangezien het volle effect van de globale opwarming zich nog moet manifesteren, is het de vraag of misoogsten een cyclisch dan wel een structureel gegeven zijn. In zijn Vierde Evaluatierapport heeft het VN-klimaatpanel aangegeven dat de klimaatveranderingen in de nabije toekomst een complexe invloed hebben op de voedselproductie19. Terwijl de voedselproductie in de tropische en subtropische gebieden flink zou achteruitgaan, verwacht men in streken met een gematigd klimaat een iets hogere opbrengst. Dit komt door de hogere gemiddelde temperatuur, de verlenging van het groeiseizoen en hogere CO2-concentraties (het zogeheten ‘bemestingseffect'). Opvallend hierbij is de extreem ongelijke, geografische verdeling van de impact van de klimaatwijzigingen; bevestigd in het Human Development Report 2007/2008 van het VN-ontwikkelingsprogramma: landen die niet verantwoordelijk zijn voor het klimaatprobleem ondervinden de grootste schade. De term ‘klimaatonrechtvaardigheid' is hier niet uit de lucht gegrepen. Vooral zwart Afrika dreigt klappen te krijgen. Oogsten op basis van neerslagafhankelijke landbouw zouden daar tegen 2020 tot 50% kunnen dalen20. Op langere termijn is het volgens het VN-klimaatpanel zeer waarschijnlijk dat de voedselopbrengsten overal ter wereld teruglopen; ook landbouw in de gematigde streken zou dan immers in de problemen komen. Het spreekt voor zich dat dit, in combinatie met een groeiende wereldbevolking, de voedselprijzen verder onder druk zal zetten. Vraag De wijziging van de consumptiepatronen in China en India lijkt de zwaarste factor, die nog in belang zal toenemen met de groei die deze landen momenteel doormaken en het daarmee gepaard gaande beslag op de algemene grondstoffenmarkten. Buiten het algemene grondstoffenverbruik, en zijn impact op de olieprijs, speelt de toename van de vleesconsumptie een cruciale rol. De massale overschakeling van een vleesarm naar een vleesrijk voedingspatroon zal de druk op het beschikbare landbouwareaal verhogen. Biobrandstoffen vormen nog steeds het onderwerp van hevige discussies. Volgens sommige analisten is het gewicht beperkt21. Anderzijds claimt men in een uitgelekt Wereldbankrapport dat de productiestijging van biobrandstoffen oorzaak is van niet minder dan 75% van de recente voedselprijsstijgingen (periode 2002-2008)22. Zolang biobrandstoffen gebaseerd zijn op voedselgewassen impliceert dit dat er minder ruimte is voor rechtstreekse voedselproductie, met als pervers effect dat de voedselprijzen stijgen. Een moratorium op biobrandstoffen van de eerste generatie lijkt geen overbodige luxe. Biobrandstoffen van de tweede en de derde generatie die niet concurreren met de voedselproductie, zouden soelaas kunnen brengen. In de praktijk zijn die nieuwe types nog helemaal niet commercieel beschikbaar. Voor de speculatiefactor is onbekend hoe sterk de invloed momenteel is. Het Wereldbankrapport stelt dat de speculatie in voedsel niet zozeer de oorzaak als wel het gevolg is van gestegen voedselprijzen. Uitwegen De redenen voor de voedselcrisis zijn meervoudig en interafhankelijk. Bij een ongewijzigd beleid stevenen we af op een structurele voedselcrisis, die deel uitmaakt van de algemene sociaalecologische crisis waarin de mensheid al verwikkeld is. Hierbij gaat het over de in omvang toenemende klimaatwijzigingen, de dalende beschikbaarheid van betaalbare fossiele brandstoffen, geopolitieke conflicten omwille van grondstoftekorten, tekorten aan drinkbaar water enz. Een adequate aanpak van de voedselcrisis moet zich rekenschap geven van de complexe samenhang van deze deelproblemen. Om te komen tot een situatie van ecologische duurzaamheid en mondiale rechtvaardigheid is er een nieuw ecologisch-economisch model nodig, dat een hoge levenskwaliteit koppelt aan een lage milieu-impact. In het jargon spreekt men over ‘factor 10'. Dat betekent dat in westerse landen het milieubeslag (materialen, grondstoffen, fossiele brandstoffen) tijdens de komende decennia met ongeveer 90% moet dalen, en dit op het vlak van voedsel, mobiliteit, wonen en reizen23. In de context van ‘duurzame productie en consumptie' (sustainable production and consumption, SCP) is het van vitaal belang een systeembenadering te hanteren. De verduurzaming van de vraag mag niet worden losgekoppeld van de vergroening van het aanbod. Wat betekent dit op het vlak van de voedselcrisis? Vooreerst dient men te beseffen dat de grootste structurele én culturele barrières voor een overgang naar duurzame productie en consumptie zich voordoen op het vlak van mobiliteit en voeding, uitgerekend de sectoren die rechtstreeks en/of onrechtstreeks bijdragen tot de voedselprijsproblematiek. Auto's en vlees zijn dan ook de twee heilige koeien voor de zich mondialiserende consumptieklasse, een term die we hier in de wetenschappelijke betekenis gebruiken. Langs de aanbodzijde moeten er methodes gevonden worden die, zelfs in een veranderend klimaat, graanopbrengsten kunnen verbeteren. En zoals we zullen zien is het minstens zo belangrijk de vraagzijde onder controle te krijgen. Behalve een daling in de vraag naar vlees zou dat de vermindering van het aantal voedsel- en autokilometers betekenen.
Aanbod Alle gegevens tonen aan dat een business as usual-productiebeleid niet kan volstaan om de groeiende wereldbevolking op een gezonde manier te voeden. Daartoe heeft het VN-klimaatpanel, net als vele andere officiële instanties, een hele set aan beleidsaanbevelingen gemaakt die op technisch vlak moeten leiden tot een toename van de voedselproductie24. Het probleem ligt ons inziens evenwel dieper. De tandem van de agro-industriële landbouw en de internationale vrijhandel is in een doodlopende straat gereden. Het moet anders. Dat werd ook in niet mis te verstane bewoordingen geconcludeerd in International Assessment of Agricultural Sciences and Technology for Development (IAASTD), in opdracht van de VN, de Wereldbank, Unesco en FAO25. Daarin stellen 400 wetenschappers dat de ecologische en sociale kosten van het huidige agro-industriële model ondraaglijk hoog zijn. Ze roepen op tot niet minder dan een nieuwe landbouwrevolutie. Dit impliceert dat men wereldwijd eindelijk moet herinvesteren in de landbouwsector. De IAASTD houdt een pleidooi voor een landbouw die veel minder afhankelijk is van fossiele brandstoffen, en die vooral steunt op familiale landbouw en lokaal aanwezig grondstoffen. Het openlijke pleidooi klinkt wellicht verrassend. Toch is het voldoende gedocumenteerd dat de beste familiale landbouwbedrijven qua opbrengst per hectare productiever zijn dan hun industriële tegenhangers26. Daarbij komt dat productieve familiale landbouw een veel betere lokale economische ontwikkeling met zich meebrengt, en hoger scoort op het vlak van milieu (minder import veevoer, minder pesticiden en herbiciden, betere energiebalans en minder waterverbruik). Het feit dat de industriële landbouw vandaag de overhand heeft, ligt voornamelijk in hun economies of scale. Door hun grootschaligheid hebben zij per eenheid vaste kosten toch nog een hogere rentabiliteit, ondanks een lagere productiviteit. Een beleid dat productieverhoging vooropstelt - en niet rentabiliteitsverhoging - doet er dus goed aan te investeren in de familiale landbouw. Voedsel is geen koopwaar zoals andere producten. De vrijhandelspolitiek die wordt uitgedragen door de Wereldhandelsorganisatie verhindert de voedselcrisis sociaal en ecologisch aan te pakken. Regio's verdienen het recht en de kans hun landbouw in eigen handen te nemen. Duurzame economische ontwikkeling vereist aandacht voor lokale en regionale marktwerking in combinatie met eerlijke wereldhandel. Er is behoefte aan internationale mechanismen die leefbare prijzen verzekeren en voedselvoorraden beheren (net zoals dat gebeurt bij olievoorraden). Ook de ongelijkheid inzake toegang tot grond, water, zaden, kredieten en infrastructuur moet ongedaan gemaakt worden. Diversificatie bestrijdt de negatieve gevolgen van de hedendaagse specialisatie in een of enkele exportproducten. Voor de overgang naar zo'n duurzaam landbouwmodel zal het essentieel zijn alle stakeholders - boeren, bedrijven, overheden, maatschappelijk middenveld én consumenten - te betrekken in dit proces. Vraag Indien we de hele wereldbevolking voldoende voedsel wensen te verschaffen zonder het ecosysteem Aarde in gevaar te brengen, volstaat een politiek van hogere productie niet langer, zelfs niet indien die van agro-ecologische oorsprong is. Verspilling tegengaan en meer efficiënt consumeren maken deel uit van een duurzame strategie. Ook de vraag naar milieubelastende producten - vlees en vis, niet-seizoensgebonden producten, biobrandstoffen voor autokilometers - moet ingedijkt worden. Zowel omwille van ecologische als gezondheidsredenen dringt een verregaande matiging van de westerse vlees- en visconsumptieniveaus zich op. Rachendra Pachauri, Nobelprijswinnaar en voorzitter van het VN-klimaatpanel, deelt die bekommernis: ‘Please, eat less meat!' . Ook The Lancet roept op de vleesconsumptie drastisch terug te schroeven. Een bijkomend voordeel is dat dit de olieafhankelijkheid van de voedingsector significant kan terugschroeven, aldus de Amerikaanse bioloog David Pimentel27. Een succesvol beleid vertrekt vanuit een goede kennis van het probleem, van de samenhang tussen de verschillende aspecten ervan én van de complexiteit van het menselijk gedrag en de diverse culturele en structurele barrières. In wetenschappelijke kringen maakt het Britse 4E-model opgang. Dit zet een serie van instrumenten integraal in: maak verandering mogelijk (enable), moedig ze aan (encourage), geef het goede voorbeeld (exemplify) en betrek alle actoren (engage)28. Een gelijkaardig beleid zal moeten worden uitgewerkt om de mobiliteit in een nieuwe, duurzame richting te sturen - minder afhankelijk van klassieke fossiele brandstoffen en de nu in opgang zijnde biobrandstoffen, wat positieve gevolgen zal hebben voor de voedselprijzen. [1] M. Ivanic, W. Martin, ‘World Bank, Implications of Higher Global Food Prices for Poverty in Low-Income Countries', in Policy Research Working Paper, 4594, april 2008, 57 blz. [2] Dat de olieprijs sinds juli 2008 ten gevolge van de financiële crisis opnieuw is gedaald, verandert weinig aan de langetermijntrend: olie wordt duurder omdat het aanbod de vraag steeds minder goed zal kunnen volgen. [3] De daling van de olieprijs sinds het begin van de tweede helft van 2008 toont duidelijk de correlatie aan met de voedselprijzen, waar de stijging tot een abrupt einde is gekomen. Dit is echter in het kader van een bredere mondiale economische achteruitgang. Bij herstel van de economie op langere termijn, zal de vraag weer aantrekken en zullen deze producten opnieuw duurder worden [4] L. Elliot e.a., A Green New Deal, New Economics Foundation, Londen, 2008. [5] IEA, World Energy Outlook 2008, IEA/OECD, Parijs, 2008. [6] J. Fargione e.a., ‘Land Clearing and the Biofuel Carbon Debt', in Science, 319, 2008, blz. 1235-1238. Zie ook H.K. Gibbs e.a., ‘Carbon payback times for crop-based biofuel expansion in the tropics: the effects of changing yield and technology', in Environmental Research Letters, 3, 2008, 034001, 10 blz. [7] Zie Tabel 8 (World meat markets at a glance) in FAO, Food Outlook, november 2007. Zie: http://www.fao.org/docrep/010/ah876e/ah876e08.htm [8] H. Steinfeld e.a., Livestock's Long Shadow, FAO, 2006. [9] L. Brown, ‘The Soybean Factor', in Outgrowing the Earth: The Food Security Challenge in an Age of Falling Water Tables and Rising Temperatures, Earth Policy Institute, 2004. [10] Nederlandse Sojacoalitie, ‘Soja doorgelicht. De schaduwzijde van een wonderboon', februari 2006. [11] Zie o.a. A.J. McMichael e.a., ‘Food, livestock production, energy, climate change, and health', in The Lancet, 370, 2007, blz. 1253-1263. [12] Het cijfer komt van de European Society of Cardiology (ESC) en het European Heart Network (EHN). Zie http://ec.europa.eu/research/infocentre/article_en.cfm?id=/research/headlines/news/article_08_03_13_en.html&item=Infocentre&artid=6813. [13] F. Lloyd-Williams e.a., ‘Estimating the cardiovascular mortality burden attributable to the European Common Agricultural Policy on dietary saturated fats', in Bulletin of the World Health Organization, 86 (7) 2008, blz. 535-541. [14] S. Pincock, ‘Showdown in a sunburnt country', in Nature, 450, 2007, blz. 336-338 [15] L. Elliot e.a., A Green New Deal, New Economics Foundation, Londen, 2008. [16] M. Osava, ‘What Is Really Causing "Agflation"?', Inter Press Service, 25 april 2008. Zie: http://ipsnews.net/news.asp?idnews=42134 [17] B. Balzli, F. Hornig, ‘Deadly Greed: The Role of Speculators in the Global Food Crisis', in Der Spiegel, 23 april 2008. [18] Voor een grondigere analyse van deze factoren,: FAO, ‘Growing demand on agriculture and rising prices of commodities', Round Table, Thirty-first session of IFAD's Governing Council, 14 februari 2008. [19] IPCC, Fourth Assessment Report (AR4), WMO/UNEP, Genève, 2007 [4 delen, beschikbaar via www.ipcc.ch]. [20] UNDP, Human Development Report 2007/2008, New York, 2007. [21] J.D. van der Ploeg, ‘Het gevaar van bio-energie en andere ficties rondom de voedselcrisis', in NRC Handelsblad, 10 mei 2008. [22] D. Mitchell, ‘A note on Rising Food Prices', niet-gepubliceerd rapport in opdracht van de Wereldbank, april 2008. [23] A. Tukker (red.), System Innovations for Sustainability 1: Perspectives on Radical Changes to Sustainable Consumption and Production, Sheffield, 2008. [24] Zie bijvoorbeeld blz. 15 van het AR4 Summary Report-rapport van het IPCC. IPCC, Fourth Assessment Report (AR4), WMO/UNEP, Genève, 2007. [25] N. Beintema e.a., ‘International Assessment of Agricultural Knowledge, Science and Technology for Development (IAASTD)', Global Summary for Decision Makers, 2008. [26] D. Barrez en J. Aertsen, ‘Wie zorgt er voor een échte groene revolutie?', in MO*-Paper, juni 2008. [27] D. Pimentel e.a., ‘Reducing Energy Inputs in the US Food System', in Human Ecology, 2008 [on-line beschikbaar via DOI 10.1007/s10745-008-9184-3] [28] Zie o.a. P.T. Jones, V. De Meyere, E. Keytsman, ‘Terra Reversa: Bouwstenen voor een duurzaamheidtransitie', in Oikos, (44), 2008, blz. 12-29. [N1]Wie? |
| < Vorige | Volgende > |
|---|
![]() |
| Peter Tom Jones is burgerlijk ingenieur Milieukunde, doctor in de
Toegepaste Wetenschappen en werkzaam als Onderzoeksmanager (IOF) aan de
K.U.Leuven, met specialisatie in industriële ecologie. Hij is één van de
15 pioniers van Plan C, de Vlaamse transitie-arena voor een duurzaam
materialenbeheer én van Terra Reversa, de Vlaamse denktank voor
ecologische economie. Als ‘geëngageerd wetenschapper’ publiceerde hij
talloze artikels, boekartikels en opiniestukken omtrent thema's als
klimaat, transities, industriële ecologie en ecologische economie. Hij
is co-auteur van o.a. Terra Incognita (Ginkgo, Gent, 2006), Het
Klimaatboek (Berchem, 2007), Klimaatcrisis (Antwerpen,
2009) en Terra Reversa (Berchem/Utrecht, 2009). Lees Meer... |




