Home arrow Papers & rapporten arrow Een scharniermoment om de juiste keuzes te maken (interview PT Jones, Dimensie 3, 2, 2009)
Een scharniermoment om de juiste keuzes te maken (interview PT Jones, Dimensie 3, 2, 2009) PDF Afdrukken E-mail

ImageInterview met Peter Tom Jones verschenen in Dimensie 3, (2), 2009, 15-17. Dit is het magazine van de Belgische ontwikkelingsamenwer-king. De tekst is van de hand van Chris Simoens. ***

De huidige economische crisis staat niet alleen. Op hetzelfde moment heeft het zuiden te maken met een voedselcrisis. Daarnaast raken de fossiele brandstoffen stilaan opgebruikt. De klimaatverandering vereist ingrijpende maatregelen, terwijl de consumptie van het noorden de draagkracht van de aarde aantast. Wat hierbij opvalt, is dat al deze problemen met elkaar verweven zijn. Het ene is niet los te zien van het andere. Eén van de denkpistes die de oplossingen in een globale context plaatst, is de ecologische economie. We hadden hierover een gesprek met een van de voortrekkers, Peter Tom Jones.

Download pdf van het volledige nummer van Dimensie 3, (2), 2009 hier

 Wat zijn de belangrijkste kenmerken van de ecologische economie?

De ecologische economie vertrekt vanuit de biofysische werkelijkheid, die stelt dat er reële grenzen zijn aan de groei. Het ecosysteem aarde is nu eenmaal beperkt in de grondstoffen die ze kan leveren en in de opnamecapaciteit van afvalstoffen zoals CO2. Een mondiale economische groei van 5% houdt in dat de wereldeconomie verdubbelt in 16 jaar, verviervoudigt in 30 jaar etc. Op lange termijn kan dit nooit ecologisch duurzaam zijn. Op de tweede plaats streeft de ecologische economie naar een rechtvaardiger verdeling van de milieugebruiksruimte. Dit is o.a. van groot belang bij een toekomstig internationaal klimaatakkoord. De markt komt bij de ecologische economie pas op de derde plaats. Je gebruikt de markt waarvoor ze goed is, maar ook niet meer dan dat. Dat is volledig anders dan de huidige neoklassieke economie, die alle heil blijft verwachten van marktmechanismen alleen. 

Hoe ziet de ideale wereld van de ecologische economie eruit?

Op lange termijn moet het een wereld zijn die erkent dat er biofysische grenzen zijn aan de groei: een steady-state economie heet dat. Dit moet ook gepaard gaan met een herziening van het financiële systeem. Het huidige systeem met positieve rentevoeten leidt namelijk tot een economie die een minimale groei nodig heeft voor haar eigen stabiliteit. Goede ideeën over een nieuw financieel systeem vind je onder meer terug in 'Het geld van de toekomst' van Bernard Lietaer. Het is een noodzakelijk, maar moeilijk debat. Toch mag het ons niet uit het oog doen verliezen dat we dringend werk moeten maken van de overgang naar een koolstofarme economie. De huidige financiële crisis – die samenvalt met een crisis van klimaat, voedsel, water en energie – is een scharniermoment om de juiste keuzes te maken. Gelukkig begint stilaan het besef door te dringen. De Green New Deal – een begrip van de Britse denktank New Economics Foundation – wordt nu ook gepropageerd door Ban Ki-moon en Al Gore. Ook Obama heeft dit goed begrepen, wat een heel hoopgevend signaal is. Ik beschouw het als een eerste, pragmatische stap richting ecologische economie. Hoe zie je zo’n koolstofarme wereld?Wonen, mobiliteit, voeding en reizen zijn verantwoordelijk voor ongeveer 80% van onze milieu-impact. Wat wonen betreft dienen we onder meer onze huizen beter te ontwerpen, met gebruik van passiefhuistechnologie. De bestaande gebouwen moeten met de best beschikbare renovatietechnieken grondig aangepast worden. Qua mobiliteit moeten we de komende 15 à 20 jaar naar een volledige elektrificatie van het wagenpark. Het gebruik van elektrische wagens sluit overigens perfect aan bij het (deels) gedecentraliseerde, slimme elektriciteitsnet van de toekomst. Het huidige gecentraliseerde systeem is 'dom' en inefficiënt o.a. door de grote verliezen tijdens het transport over het netwerk. Bovendien is opslag van elektriciteit zeer moeilijk, met als gevolg een slechte koppeling tussen vraag en aanbod. In de intelligente, gedecentraliseerde netwerken van de toekomst fungeren de batterijen van elektrische wagens als een soort buffersysteem, dat elektriciteit opneemt en afgeeft naargelang de behoefte. Een andere interessante piste inzake mobiliteit is de uitbouw van een flexibel systeem van autodelen. Mensen bezitten geen auto’s maar gebruiken ze op het moment dat ze die nodig hebben. Op die manier kan je eenzelfde mobiliteitsfunctie creëren met veel minder wagens. En natuurlijk moet ook het aanbod aan openbaar vervoer en fietsinfrastructuur radicaal verbeterd worden. Qua voeding moeten we naar een lager vleesgebruik en meer seizoensgebonden, biologisch en lokaal geproduceerd voedsel. Wat reizen betreft, bestaat de uitdaging erin om opnieuw trager en minder ver te reizen. 

Dit vergt serieuze inspanningen van de mensen…

Daarom is het zo belangrijk de nadruk te leggen op de hoge levenskwaliteit van de alternatieven. Het gaat echt niet om het gebruik van koud water in de winter of het leven in een boomhut met geitenwollensokken. Met de passiefhuistechnologie – die nu al bestaat – daalt niet alleen de milieuimpact met ongeveer 75%, maar verbetert ook het wooncomfort aanzienlijk. Wat mobiliteit betreft, moeten we vooral focussen op gezondheid. Er is het gigantisch probleem van fijn stof en er zijn de dagelijkse files. De gemiddelde Belg – in Vlaanderen is het nog erger – verliest 13,5 maanden van zijn leven omwille van fijn stof. Ecologische mobiliteit is veiliger en gezonder. Ook voor voeding is gezondheid een relevant argument. Veel van de huidige gezondheidsproblemen (hart- en vaatziekten, zwaarlijvigheid, suikerziekte, kanker) hebben te maken met een overdreven vleesgebruik. Daarnaast is lokaal en seizoensgebonden voedsel afkomstig van een nieuw type landbouw met een ruimer takenpakket, o.a. de zorg voor het landschap en de biodiversiteit, en zelfs koolstofopslag. De moeilijkste sector is reizen. Toch is het nodig de schijnbare evidentie van intercontinentale vliegreizen in vraag te stellen. De transitie naar een ecologische economie biedt aanvullende voordelen. Zo zorgt zij voor nieuwe, lokaal verankerde werkgelegenheid, waardoor jobs niet onderhevig zijn aan de grillen van de mondiale vrijhandel. Het Europees Vakverbond heeft berekend dat een reductie van CO 2-uitstoot van 40% binnen de EU 1,5% meer jobs zou creëren in vergelijking met een business as usual-scenario.  Hoogkwalitatieve jobs zijn nodig voor arbeidsintensieve werken zoals de renovatie van bestaande gebouwen, hernieuwbare energie en nieuwe types van openbaar vervoer. Een tweede groot voordeel is de energieautonomie. We zitten vandaag met een ondraaglijke situatie. België is voor zijn energie bijna 100% afhankelijk van het buitenland. De fossiele brandstoffen (aardgas, aardolie) zullen duurder worden, terwijl uranium voor de kernenergie afkomstig is van vaak politiek instabiele landen. Dit moet en kan veranderen: rationeel energiegebruik, hogere energie-efficiëntie in de industrie, passieve en later zelfs actieve gebouwen, veel meer hernieuwbare energie, etc. Ten slotte worden de steden veel leefbaarder dankzij groene stadsplanning met duurzame mobiliteit en elektrische wagens. De gezondheidsvoordelen alleen al kunnen voordeliger zijn dan de kosten van het beleid. Gekoppeld aan investeringen in werkgelegenheid en energieautonomie krijg je een drievoudige win-winsituatie. Heel belangrijk in dit alles is dat de overheid zijn voorbeeldfunctie heel consciëntieus toepast. Met zijn openbare aanbestedingen heeft ze 20% van de markt in handen! Als ze consequent 'groene' keuzes maakt, kunnen ze de 'groene' sectoren stimuleren en voldoende doen groeien opdat ze de competitie aankunnen met de 'niet-groene' sectoren, die vandaag nog steeds de facto bevoordeeld worden doordat externe kosten zoals milieuschade niet verrekend worden.  

Cradle to cradle (letterlijk 'van wieg tot wieg') stelt dat we kunnen blijven consumeren, als producten maar biodegradeerbaar zijn en/ of kringlopen gesloten worden. Van 'consuminderen' is dus geen sprake?

Cradle to cradle is een deel van de oplossing, maar ook niet meer dan dat. De ontwerpers blijven uitgaan van het onbeperkte consumeren. Eindeloze BN P-groei is echter op lange termijn niet te verzoenen met de begrensde draagkracht van de aarde. We leven nu al boven die draagkracht. Er bestaat geen enkele wetenschappelijke argumentatie om eindeloze groei te blijven promoten. Groei leidt bovendien niet tot meer welzijn. Studies naar levenstevredenheid hebben aangetoond dat in de westerse landen hogere inkomens vanaf een bepaald niveau volledig ontkoppeld zijn van het welzijnsniveau. Er is dus geen direct verband tussen welzijnsgevoel en inkomen. Als je vandaag een hoger welzijnsniveau wil creëren, komt het erop aan sociale weefsels te herstellen, veiligheid en zekerheid in te bouwen, de gezondheid te verbeteren en de interne ongelijkheid terug te schroeven. Dat BNP-groei per definitie noodzakelijk is om werkgelegenheid te creëren klopt evenmin. Je hebt vandaag ook BNP-groei die jobs vernietigt, onder meer door automatisering. Het is veel efficiënter te kiezen voor een ecologische economie waarbij je arbeid minder en de milieu-impact meer belast, en waarbij je investeert in arbeidsintensieve sectoren. BN P-groei zou ook nodig zijn voor armoedebestrijding in het zuiden. Opnieuw, empirische cijfers spreken dit tegen. Uit een studie van de New Economics Foundation over de periode van 1990 tot 2001 blijkt dat 166 dollar mondiale BNP-groei nodig was voor 1 dollar extreme armoedebestrijding. Dat is een rendement van slechts 1 op 166. Hoeveel mondiale BNP-groei heb je dan wel nodig om de armoede serieus te bestrijden? We hebben andere, rechtstreekse mechanismen nodig. 

Hoe zie je dan de kloof tussen noord en zuid?

Dat is precies wat er vandaag ter discussie ligt in de aanloop naar de cruciale klimaatconferentie in Kopenhagen, in december 2009. Een rechtvaardig akkoord vereist technologie-overdracht en financiële transfers van noord naar zuid. Dit is niet meer dan correct gezien de historische koolstofschuld van noord aan zuid. Onder het motto 'de vervuiler betaalt', moet het noorden geld beschikbaar stellen, opdat het zuiden de nodige aanpassingscapaciteit kan opbouwen tegen de gevolgen van de klimaatverandering. Daarnaast is technologische overdracht nodig, ook al druist dit in tegen het gebruikelijke systeem van intellectuele eigendomsrechten. Er is dus geld nodig om bedrijven te betalen om hun technologieën over te dragen. De ontwikkelingslanden moeten meteen over de best beschikbare technologieën en systemen kunnen beschikken: groene stadsplanning, duurzame mobiliteit, gedecentraliseerde elektriciteitssystemen, etc. Hierdoor hoeft het zuiden de fouten van het westen niet over te doen. Ontwikkelingshulp moet klimaatbestendig worden. We mogen dus niet investeren in projecten die binnen 10 jaar irrelevant worden door klimaatveranderingen, maar juist de samenlevingen van het zuiden voorbereiden op een gewijzigd klimaat. Het betreft dus enerzijds de heroriëntatie van bestaande ontwikkelingsbudgetten en anderzijds het ter beschikking stellen van nieuwe budgetten voor de betaling van adaptatie en technologische maatregelen. Op die manier kan je lokale economieën opbouwen die meer gebaseerd zijn op regionale handelsblokken, en minder afhankelijk zijn van de te goedkope export naar het westen.

Dat wordt vaak gezegd: ontwikkelingslanden moeten vooral exporteren om zich te kunnen ontwikkelen. Is dit dan een mythe?

Dat is alleszins het geval als het gaat over producten zonder al te veel toegevoegde waarde zoals basisproducten uit de monocultuurlandbouw, houtkap of niet-verwerkte delfstoffen. Hierdoor verbruiken ontwikkelingslanden hun eigen natuurlijk kapitaal met zware ecologische gevolgen ter plaatse. Dit geeft op korte termijn inkomsten (aan veel te lage prijzen overigens), maar op lange termijn gaat het natuurlijk kapitaal verloren. Op die manier wordt geen duurzame economische welvaart opgebouwd. Een vorm van economische deglobalisering is dus wenselijk. Dit houdt in dat de economieën van het zuiden hun exportgerichte groei in het kader van de wereldwijde markt heroriënteren naar productie voor lokale markten. Deglobalisering is een pragmatisch pleidooi voor een gemengde economie, waarin naast het privé-initiatief meer ruimte gecreëerd wordt voor overheidsbedrijven, coöperatieven en andere vormen van sociale economie. Regio’s of gemeenschappen produceren de goederen die ze nodig hebben bij voorkeur zelf, vooral in het geval van voedingsmiddelen, als dit tenminste kan zonder al te hoge kosten. In het andere geval is import op zijn plaats. De wereldeconomie dient zich op verschillende niveaus te ontwikkelen (lokaal, nationaal, continentaal, mondiaal), waarbij vermeden wordt dat bulkgrondstoffen en primaire landbouwproducten de wereld rond gestuurd worden. Op politiek vlak hebben we echter meer dan ooit behoefte aan extra mechanismen en sterkere VN -organisaties voor milieu, klimaat en ontwikkeling, in plaats van alle macht te geven aan de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldhandelsorganisatie. Deze verliezen trouwens vanzelf al macht door opkomende landen als China, India en Brazilië. De derdewereldkaart van de macht wordt langzaamaan hertekend. 

Chris Simoens 

 

online

http://www.neweconomics.org/

http://www.petertomjones.be/

http://www.oikos.be/

http://www.terrareversa.be/ 

 

ImagePeter Tom Jones, Dr. in de toegepaste wetenschappen, is IO F-onderzoeksmanager 'industriële ecologie' aan de Katholieke Universiteit Leuven. Als geëngageerd wetenschapper trekt hij het Vlaamse land rond met een pleidooi voor een transitie naar een ecologische economie. Hij is auteur van vele boeken, artikels en opiniestukken. In april 2009 verschijnt van hem het nieuwe boek Klimaatcrisis (Luster). 

 
< Vorige   Volgende >