Home


 

facebook

 

 

Image

Terra Reversa: Bouwstenen voor een duurzaamheidtransitie - Deel V: Wonen en (ver)bouwen PDF Afdrukken E-mail
Deel V van de vaste rubriek 'Terra Reversa: bouwstenen voor een duurzaamheidtransitie naar een ecologische economie' in het driemaandelijkse tijdschrift Oikos, hét forum voor sociaal-ecologische verandering. In deze aflevering gaan we op zoek naar strategieën om te komen tot duurzaam wonen en bouwen. De volledige referentie van het stuk is: Jones, P.T., De Meyere, V.,, 'Terra Reversa: Bouwstenen voor een duurzaamheidtransitie - Deel V: Reizen, Oikos, (49), 2009. (Verschijnt in juni 2009). 

Meer info over Oikos op http://www.oikos.be/.

 

Terra Reversa: Bouwstenen voor een duurzaamheidtransitie

Deel IV - Wonen en (ver)bouwen

Peter Tom Jones & Vicky De Meyere

 

Anno 2008 bevindt de wereld zich in een ernstige sociale en ecologische duurzaamheidcrisis. De titel van deze rubriek - ‘Terra Reversa' - verwijst naar de noodzaak van een totale ‘systemische' omkering van het courante wereldbeeld en de ondersteunende politieke, economische en technologische structuren, en dit volgens de uitgangspunten van de ecologische economie. Op basis van wetenschappelijke vakliteratuur zal een stand van zaken aangegeven worden over mogelijke oplossingsgerichte modellen. Twee complementaire en elkaar versterkende strategieën zijn nodig: socio-technologische verandering en cultureel-gedragsmatige evoluties. We beseffen dat heel wat complexe barrières op het vlak van structuren, wereldbeeld, attitude en gedrag de vereiste veranderingen bemoeilijken. We hanteren het model van de 4 E's als richtsnoer voor een effectieve duurzaamheidtransitie: enable, exemplify, encourage, engage. Inzake onze consumptie zijn vier sectoren samen verantwoordelijk voor minstens 70% van onze totale milieu-impact: voeding, mobiliteit, wonen en recreatie/reizen.[1] In de vorige afleveringen van deze rubriek namen we al de sectoren voeding, mobiliteit en reizen onder de loep; in deze bijdrage bekijken we het consumptiedomein ‘wonen en bouwen': op welke manier doet zich de problematiek voor, wat zijn de barrières voor duurzaam wonen en bouwen, en hoe kunnen alle relevante stakeholders de 4 E's concreet realiseren? Dit is voorlopig de laatste aflevering van deze rubriek.

Inleiding

Bekeken over de volledige levenscyclus is de sector van het ‘wonen en bouwen' in de Europese landen verantwoordelijk voor ongeveer 30% van de totale ecologische voetafdruk, 25 à 30% van de CO2-uitstoot en 40 à 50% van het energieverbruik.[2] Indien we voor de economie in zijn totaliteit een reductie van de milieu-impact in de ordegrootte van 90% willen realiseren, dan kan men dit productie- en consumptiedomein absoluut niet ongemoeid laten. Anders dan bij de sectoren voeding, mobiliteit en reizen, zijn de mogelijkheden op het vlak van duurzamer wonen veel toegankelijker voor een ruimer publiek. Het technologisch reductiepotentiaal (nog zonder gedragswijzigingen) is in deze sector aanzienlijk groter dan in de andere. In het laatste evaluatierapport van het VN-klimaatpanel becijferde men dat (tegen 2030) het CO2-besparingspotentieel in de sector ‘gebouwen' wereldwijd twee à drie keer groter is dan in andere cruciale sectoren zoals energieproductie, transport en landbouw.[3] Juist omwille van de aanwezigheid van tal van low hanging fruits is de sector van het wonen en bouwen een relatief ‘gemakkelijke' om resoluut aan te pakken. Dit neemt niet weg dat er ook in dit geval een heel scala aan barrières zijn die maken dat de transitie naar duurzaam wonen en bouwen geen evidentie is.

In deze bijdrage maken we eerst een afbakening van de sector van het wonen en (ver)bouwen. We beschrijven kort de essentiële kenmerken van het dominante regime. Vervolgens geven we een Leitbild voor duurzaam wonen en bouwen. Nadien kijken we naar de belangrijkste barrières. We doen dat op basis van het ons inziens briljante en door betrokken professionelen breed gedragen Leitbild van de Vlaamse transitiearena voor Duurzaam Wonen en Bouwen (DUWOBO). In het afsluitende gedeelte denken we na over de noodzakelijke transitiepaden. Het model van de 4E's doet hierbij opnieuw dienst als leidraad.

Fig. 1: Economisch besparingspotentieel (CO2) per sector in 2030, in functie van de CO2-prijs

Wonen en bouwen anno 2009: niet duurzaam

Om een transitie tot stand te brengen in de manier waarop we wonen en bouwen, is het van enorm belang om systeeminnoverend te werk te gaan. Een goed begrip van de samenhang van de verschillende elementen in het dominante, niet-duurzame regime is dus essentieel. Hoe ziet het ‘woonregime' er vandaag uit? Wie zijn de spelers? Wat zijn de dominante trends? Hoe kan men vraag en aanbod tegelijkertijd aanpakken?

Gebouwen vormen het milieu waarin we een zeer groot deel van ons leven doorbrengen.[4] Hierdoor beïnvloeden zij ook een heel aantal andere consumptiepatronen. Gebouwen hebben daarnaast een zeer lange levensduur, wat een element van traagheid het systeem binnenloodst. Dit maakt het des te belangrijker om deze sector grondig aan te pakken. Nu verkeerde keuzes maken heeft immers op lange termijn zeer negatieve gevolgen. Omgekeerd: de goede keuzes van vandaag leggen mee de basis voor een duurzame toekomst. De impact van het wonen en bouwen kan zeer breed opgevat worden. Het betreft niet alleen de energie en de gerelateerde emissies van broeikasgassen en andere polluenten maar ook het beslag op (schaars) land en water. De manier waarop we wonen hangt nauw samen met onder andere de ruimtelijke ordening, de mobiliteit, de leefbaarheid in de steden, de kwaliteit van het sociaal buurtnetwerk en diverse directe en indirecte gezondheidfactoren (cf. fijn stofproblematiek).

Zoals reeds aangegeven in de inleiding van dit stuk is de energieconsumptie in de sector van het wonen en bouwen doorslaggevend. De (rechtstreekse) energetische voetafdruk van het woonregime bestaat uit twee delen: (1) de energie die noodzakelijk is om gebouwen neer te zetten en aan het einde van de levensduur te ontmantelen en deels te recycleren, en (2) de energie die wordt geconsumeerd tijdens de gebruiksfase van de woning. Wat het eerste aspect betreft, dient vooral gewezen te worden op de energieconsumptie vanwege de productie en het transport van bouwmaterialen (cement, beton, staal, hout etc.), wat uiteraard gepaard gaat met aanzienlijke CO2-emissies. Zo is de wereldwijde cementproductie verantwoordelijk voor (afhankelijk van de referentie) 4 à 8% van alle antropogene CO2-emissies, wat meteen al het belang aantoont van alternatieve bouwmaterialen en/of alternatieve (secundaire) grondstoffen zoals gegranuleerde hoogovenslakken (uit de staalindustrie) die als cementvervanger dienst doen. Toch is het zo dat de consument niet zo meteen veel impact heeft op de energie die wordt verbruikt tijdens deze fase van het wonen en bouwen. Dit ligt helemaal anders voor de energieconsumptie tijdens de gebruiksfase. In dit geval moeten we een onderscheid maken tussen de energie voor de verwarming/koeling van het gebouw enerzijds en de interne activiteiten (koken, elektrische apparaten voor bewaring voedsel, communicatie, entertainment etc.) anderzijds. Kijken we naar het Vlaamse woningbestand dan valt op dat vooral de verwarmingsenergie de grote slokop is: gemiddeld 200 kWh/m2.jaar op een totaal van ongeveer 270 kWh/m2.jaar. Elektriciteitsconsumptie staat in voor ongeveer 17% van het totale energiegebruik in de Vlaamse huishoudens.[5] Het hoge aandeel van de verwarmingsenergie in het totale energieverbruik heeft voor een groot deel te maken met de slechte staat van het Vlaamse woningbestand. Naar schatting één derde van de Vlaamse huizen is nog niet uitgerust met dakisolatie, terwijl in een derde van de woningen nog steeds enkel glas aanwezig is.[6]

Daarnaast kan men ook een onderscheid maken tussen klassieke woningen en ‘commerciële' gebouwen, waaronder we openbare gebouwen, kantoren, winkelcomplexen etc. verstaan. De energieconsumptie in commerciële gebouwen hangt grotendeels af van beslissingen vanwege financieel directeurs, architecten en allerlei managers, terwijl het energiegebruik in klassieke woningen rechtstreeks samenhangt met de factor ‘levensstijl' en individuele beslissingen. Dit neemt niet weg dat klassieke en commerciële gebouwen uiteindelijk te maken krijgen met dezelfde systemen van aanbieders en professionelen. Daarbij komt dat commerciële gebouwen vaak de plaats zijn waar doorbraaktechnologieën voor het eerst ingezet worden. Dit zijn met andere woorden vaak de experimenteerruimtes waarvan sprake is in transitiemanagement.

Ten slotte vestigen we nog even de aandacht op enkele zogenaamde mega-trends. Een essentieel onderscheid met andere consumptiedomeinen is vooreerst dat de sector van het wonen en bouwen minder beïnvloed wordt door de globalisering. Renovatie van huizen bijvoorbeeld is een opdracht die moeilijk gedelokaliseerd kan worden. Anderzijds zal de toenemende informatisering van de samenleving een impact hebben op de manier waarop mensen in hun woning leven, al is het maar door het groeiend gebruik van ICT en slimme apparaten waardoor de consumptie van energie onder controle gehouden kan worden. Een tweede cruciale trend is de demografische evolutie. De bevolking in Europa is nog steeds aan het groeien. Verwacht wordt dat in de EU-25 de bevolking zal oplopen tot 481 miljoen in 2050.[7] Tezelfdertijd zet ook de vergrijzing zich verder door, wat het reeds bestaande fenomeen van de gezinsverdunning nog verder versnelt. Hierdoor zijn er meer eenpersoonsgezinnen, met de daarbij horende stijging in totale energieconsumptie. Een derde megatrend houdt verband met de klimaatwijzigingen. Hogere temperaturen zullen vooral in de zomerperiode de vraag naar koeling drastisch de hoogte injagen, wat slechts ten dele zal worden gecompenseerd door de verminderde vraag naar energie tijdens de koudere perioden. Een vierde factor van belang heeft te maken met de langetermijntrend in stijgende energieprijzen (cf. nakende peak oil). Zo is bijvoorbeeld de jaarlijkse energiefactuur in Vlaanderen op vijf jaar tijd met €700 toegenomen, wat maakt dat energieuitgaven een steeds grotere hap uit het gezinsbudget nemen.[8] Dit is vooral problematisch voor de sociaal zwakkeren in de maatschappij. Deze trend vergroot de drijvende kracht om, los van ecologische factoren, een succesverhaal te maken van de energiebesparing in deze sector.[9] Parallel met de stijgende energieprijzen is er ook een trend ingezet naar meer decentrale opwekking van energie (bv. zonnepanelen), wat trouwens problemen oplevert voor het huidige, gecentraliseerde elektriciteitsnetwerk (zie verder).

Uit dit alles kunnen we afleiden dat business as usual inzake de manier waarop we wonen en (ver)bouwen niet langer een optie is. Het is tijd om ons te beraden hoe wij in Vlaanderen, Europa en de rest van de wereld samen willen, leven, wonen en werken en hoe wij om moeten gaan met de klimaatproblematiek en de schaarser wordende ruimte, grondstoffen en fossiele energie. We besluiten deze inleidende situatieschets met de woorden van de Vlaamse transitiearena voor Duurzaam Wonen en Bouwen:

"Diverse ontwikkelingen en trends (...) hebben er voor gezorgd dat de samenstelling van de gezinnen, onze leefpatronen, het ruimtegebruik en onze woningbehoefte de afgelopen decennia ingrijpend gewijzigd zijn en wellicht nog zullen wijzigen. Het wonen en bouwen heeft deze maatschappelijke ontwikkelingen nauwelijks kunnen bijbenen. Het gevolg is dat een aantal symptomen van ‘onduurzaamheid' wonen en bouwen in Vlaanderen nu kenmerkt. Zo sluiten woningaanbod en vraag slecht op elkaar aan, laat de kwaliteit van de woningvoorraad te wensen over en is er sprake van onduurzaam materiaalgebruik. Om nog maar te zwijgen over de toenemende druk op de (openbare) ruimte."[10]

 

Een Leitbild voor duurzaam wonen en bouwen

Uit het voorgaande is duidelijk gebleken dat het hedendaagse woonregime geconfronteerd wordt met een heel scala aan structurele duurzaamheidproblemen. Het moet dus anders: geen incrementele optimalisatie maar een ware, radicale transitie is het doel. Om vandaag en morgen de juiste keuzes te kunnen maken, is het essentieel dat we weten waar we op de lange termijn naar toe willen. We hebben met andere woorden behoefte aan enthousiasmerende streefbeelden of Leitbilder voor hoe we willen (ver)bouwen, wonen en dus ook leven en werken in de toekomst.

Veruit de meest omvattende visieoefening (ten minste in Vlaanderen) voor duurzaam wonen en bouwen werd gemaakt door de al vermelde transitiearena DUWOBO. In het document Vlaanderen in de steigers schetsen deze visionaire denkers een panoramisch beeld van waar we tegen 2030 naar toe zouden moeten (kunnen).[11] Dit streefbeeld gaat over veel meer dan bijvoorbeeld louter het type huizen en gebouwen die we in de toekomst nodig hebben. Hierover is in Vlaanderen vooral al veel geschreven en gezegd door het Passiefhuis Platform (vzw PHP), het Vlaams Instituut voor Bio-Ecologisch Bouwen (VIBE) en vzw Dialoog. DUWOBO benadrukt evenwel het systeemkarakter van de transitie. Bijgevolg moet het dus over veel meer gaan dan technologische vernieuwingen, hoe belangrijk die ook zijn. De visie van DUWOBO behelst zowel inhoudelijke als procesmatige elementen. Inhoudelijk streeft men naar "een gezonde, veilige en sociale woonomgeving en een woning met een geringe impact op het leefmilieu." DUWOBO benadrukt de herwaardering van de open ruimte en het platteland, waarbij de huidige ruimtelijke versnippering wordt doorbroken. Men streeft naar een "samenhangend en complementair netwerk van stad, dorp, platteland en open ruimte". Procesmatig vereist deze transitie een "transparante samenwerking en interactie tussen alle betrokken partijen", die - in het klassieke jargon van het transitiemanagement - niet op een dwingende manier van bovenaf dan wel vanuit gemeenschappelijke doelen, belangen en verantwoordelijkheden wordt gestuurd. Interessant aan het DUWOBO-document is dat men de transitie verbindt aan zeven leidende principes, waarbij ook uitdrukkelijk aandacht is voor het sociale aspect (wat bij standaard transitiemanagement niet altijd het geval is!). De principes zijn: een geïntegreerde benadering; gedeelde verantwoordelijkheid en transparante besluitvorming; hoge kwaliteit van het gebouw en de leefomgeving; toegankelijk en sociaal rechtvaardig; balans tussen privaat en collectief gebruik (met aandacht voor nieuwe woonvormen zoals samenwonen, woondiensten, deeltuinen en deelparken, zie ook de gespecialiseerde vakliteratuur waar tegenwoordig veel aandacht is voor dit thema[12]); gesloten kringlopen van stoffen en materialen (zie ook het werk van de Vlaamse transitiearena Plan C voor een duurzaam materialenbeheer); en een economisch gezonde en maatschappelijk verantwoorde bouwsector. Voor de meer gedetailleerde uitwerking van deze principes verwijzen we de geïnteresseerde lezer graag door naar het oorspronkelijke document.

DUWOBO heeft vervolgens deze visie verder in de praktijk uitgewerkt, opgebouwd rond vier thema's: (1) leren en innoveren in de bouw, (2) het sluiten van kringlopen, (3) de kwaliteit van het wonen en (4) de woning en de ruimtelijke ordening. We behandelen deze aspecten nu in meer detail. Vooral het tweede element zal uitvoerig worden besproken.

Leren en innoveren

Met leren en innoveren in de bouw verwijst men naar de noodzaak van een transitie van "een sector met een beduimeld imago" naar "een sector met een aantrekkelijke uitstraling en een hoog maatschappelijk rendement". In de geest hiervan wordt er niet meer gedacht over werken aan een woning als een product, maar als een concept of een dienst (cf. autodelen in plaats van autobezit). Het samenwerken gebeurt niet alleen binnen de sector, maar ook met andere sectoren (zoals de ICT, de zorgsector, de auto-industrie). De kracht van de bouwsector anno 2030 stoelt vooreerst op haar netwerkkarakter: het betreft een uitgebreid netwerk van gespecialiseerde en zeer competente ondernemingen. Maatschappelijke meerwaarden worden meegenomen bij de beslissingen van ondernemingen en gezinnen. In plaats van externe kosten af te wimpelen op de maatschappij worden deze nu via belastingen doorgerekend (geïnternaliseerd). Een goed gestructureerde kennisinfrastructuur, waarin overheid, bedrijfsleven, universiteiten en kennisinstellingen interdisciplinair en nauw samenwerken, is eveneens cruciaal.

Sluiten van kringlopen, passiefhuizen en smart grids

DUWOBO stelt zich uitdrukkelijk de vraag of het woonvolume per hoofd verder kan of mag blijven groeien. Quod non. In haar Leitbild voor 2030 gaat men ervan uit dat het woonvolume en woonoppervlakte per hoofd niet anders dan beperkt kan worden. Hierdoor zijn er zones en ruimtes met verschillende functies nodig. DUWOBO vervolgt:

"Er worden [in 2030] zo weinig mogelijk nieuwe woningen bijgebouwd, tenzij in een inbreidingsgebied of bij de vervangingsbouw in kernen en voor zover de noodzaak hiervan is aangetoond. Bestaande (nog kwaliteitsvolle) gebouwen zijn na eventuele aanpassingen voor gebruik geoptimaliseerd (nieuwe samenwoonvormen of levenslang wonen). Dit gebeurt op een dergelijke manier dat een maximale energie- en waterbesparing tijdens de benutting van het gebouw wordt gerealiseerd en dat elk gebouw een gezond binnenklimaat kent. De woonruimtes zijn flexibel, aanpasbaar en multifunctioneel ingericht. Nieuwe concepten hebben [in 2030] hun intrede gedaan: flexibele, modulaire en demontabele bouwconcepten laten toe dat een gebouw verschillende decennia aanpasbaar is aan veranderde functies en behoeftes in gebruik en bewoning."

Bestaande gebouwen zullen tegen 2030 verbouwd zijn met een hoog niveau van energiezuinigheid zonder in te boeten op architecturale waarden. Nieuwe woningen die in 2030 neergepoot worden, voldoen minstens aan de passiefhuisnorm. Dit impliceert een energieverbruik dat tijdens de gebruiksfase ongeveer vier maal lager ligt dan bij een doorsnee nieuwbouw (anno 2009, zie Figuur 2).[13] De term ‘passiefhuis' verwijst dus naar een constructiestandaard, met als centrale (en volgens sommigen te eenzijdige[14]) doelstelling een bruto verbruik voor ruimteverwarming van minder dan 15 kWh/m2.jaar. Het totaal energieverbruik voor ruimteverwarming, sanitair warm water en elektrische apparaten mag niet meer dan 42 kWh/m2.jaar bedragen. De passiefhuisnorm kan men bekomen door grote aandacht te besteden aan het beperken van de warmteverliezen door ver doorgedreven isolatie en zeer goede luchtdichtheid; het optimaliseren van de warmtewinsten door gebruik van passieve energie (zonnewarmte, bodemwarmte...); het waarborgen van de luchtkwaliteit door ventilatie met warmteterugwinning; en het laag energiegebruik door efficiënte apparaten en het eventueel gebruik van hernieuwbare energie. In een verdere toekomst zou men inderdaad de stap kunnen of moeten maken van passieve naar actieve huizen: dit zijn huizen die netto energie opleveren in plaats van consumeren. Dit wordt mogelijk door de inschakeling van nieuwe hernieuwbare energietechnologieën (tweede en derde generatie fotovoltaïsche energie, zonneboilers etc.). Ook micro-warmtekrachtkoppeling zal vermoedelijk een bijdrage leveren in dit verhaal.

Omdat de norm voor passiefhuizen (jammer genoeg) geen uitspraken doet over de herkomst van de bouwmaterialen (inclusief de gebruikte energie en de uitgestoten emissies) of de locatie van een woning is het ook cruciaal om in een Leitbild voor duurzaam wonen en bouwen hier meer aandacht voor te hebben. De vzw Dialoog besteedt in publicaties en cursussen overigens al jaren aandacht aan energiezuinige woningen die gebouwd of verbouwd worden met materialen die het milieu zo min mogelijk belasten. In dezelfde lijn stelt DUWOBO in zijn toekomstvisie dan ook:

"Bouwmaterialen, inclusief de toepassing ervan in een gebouw of constructie, zijn [in 2030] duurzaam (ecologisch, economisch en sociaal) over de hele levenscyclus. Opdat toekomstige generaties (2050-2070) nog kunnen beschikken over voldoende grondstoffen, moet er gebruik gemaakt worden van materialen die over hun volledige levenscyclus de uitputting van schaarse grondstoffen beperken of CO2-neutraal zijn. De voorkeur gaat uit naar quasi onuitputtelijke grond- en hulpstoffen zoals hernieuwbare of volledig recycleerbare materialen of minerale oppervlaktedelfstoffen. Het gebruik van fossiele koolwaterstoffen gebeurt bij voorkeur enkel als ze kunnen dienen als grondstof voor materialen met een lange levensduur in plaats van een gebruik als energiebron. Men gaat zo zuinig mogelijk om met grondstoffen en maakt zoveel mogelijk gebruik van lokale grondstoffen. Er worden geen materialen en grondstoffen gebruikt die schadelijk zijn voor de gezondheid en men tracht grondstoffen en materialen meerdere malen (ook in andere sectoren) te gebruiken. Stofkringlopen worden zo kort mogelijk gehouden."

Ook ten aanzien van de waterconsumptie in gebouwen zijn er grote veranderingen noodzakelijk. DUWOBO stelt in zijn Leitbild:

"Alle gebouwen [in 2030] zijn ontworpen of verbouwd om zoveel mogelijk water te besparen. Het gebruik van regenwater in gebouwen gebeurt dan ook optimaal. Het overtollige regenwater vloeit rechtstreeks terug naar het natuurlijke watersysteem. De opvang van regenwater gebeurt op de juiste schaal. Al het gebruikte water in gebouwen wordt na zuivering ofwel als grijs water nuttig toegepast ofwel teruggegeven aan het natuurlijke watersysteem, in dezelfde kwaliteit en kwantiteit als vóór het gebruik."

Figuur 2: Vergelijking tussen energieprestaties van verschillende types woningen

Om de transitie naar eerst passieve en vervolgens actieve huizen mogelijk te maken, zal er een gelijkaardige transitie moeten komen in de manier waarop het elektriciteitsnetwerk wordt beheerd. Het hedendaagse, ‘domme', gecentraliseerde systeem is namelijk niet bij machte om stabiel te functioneren in een toekomstige situatie waarbij er grote hoeveelheden (minder stabiele) hernieuwbare elektriciteit decentraal worden geproduceerd. Vraag en aanbod kunnen daardoor heel moeilijk op elkaar afgestemd worden, wat leidt tot grote inefficiënties en zelfs totale stroompannes. Daarnaast wordt er ook een aanzienlijke hoeveelheid elektriciteit verloren tijdens de transmissie zelf. Sowieso zijn de huidige netten in Europa dringend aan vervanging toe. In de literatuur is er daarom de laatste jaren heel veel aandacht voor de broodnodige transitie naar Smart Grids. In deze intelligente netwerken kan men via het gebruik van slimme apparaten, ICT en nieuwe elektrische opslagsystemen (bv. de Lithium-ionbatterijen van de elektrische wagens van de toekomst) een tweewegcommunicatie organiseren (van consument naar producent en vice versa). Hierdoor kunnen vraag en aanbod veel beter op elkaar afgestemd worden en is er ruimte om grote hoeveelheden hernieuwbare energie in het net op te nemen. Op nog langere termijn kan dit zelfs evolueren naar 100% hernieuwbare energie. Een groot punt van discussie[15] is in hoeverre de Smart Grids moeten evolueren naar SuperSmart Grids.[16] Hiermee verwijst men naar de combinatie van lokale, gedecentraliseerde slimme netwerken (de Smart-component) met de grootschalige elektriciteitsproductie (de Super-component) op verre afstanden van de lokale productie. Een typisch voorbeeld hiervan is de mogelijkheid om zonne-energie opgewekt in de woestijnen in Noord-Afrika via een nieuw type van (HVDC) hoogspanningsleidingen (zonder substantiële verliezen) te transporteren naar de Europese slimme netten van de toekomst. Een tweede, nog veel groter discussiepunt betreft de toevoer van nucleaire elektriciteit naar deze slimme netten. Zoals geweten zijn de auteurs van dit stuk omwille van een heel scala aan redenen geen voorstander van deze laatste optie. De behandeling van dit discussie valt evenwel buiten het bestek van dit artikel.[17]

Wonen voor het leven

Wellicht het meest vernieuwende maar tegelijkertijd ook schijnbaar contra-intuïtieve denken vinden we terug in het derde element van het Leitbild van DUWOBO. Dit betreft de evolutie die er noodzakelijk is op het vlak van het woonconcept an sich. Enigszins confronterend schrijft DUWOBO:

"Mensen en gezinnen (die steeds kleiner worden) zijn in 2030 (...) aanzienlijk mobieler geworden: er is een verschuiving gaande van kopen naar huren. En ook de koopmarkt is in beweging. Mensen zijn minder honkvast dan 25 jaar geleden [in 2005 dus, ptj, vdm & ek]. Er is een neiging om in elke levensfase (of gezinsontwikkeling) de meest aangewezen woning te zoeken. Vaak kan dat in dezelfde omgeving. De nieuwere woonwijken hebben een gemengd aanbod van woningen voor elke behoefte, zodat mensen kunnen doorschuiven naar een meer aangepaste woning wanneer hun situatie verandert: er ontstaat een vorm van roulatie tussen woningen. Wonen voor het leven is aangepast wonen geworden, niet meer levenslang tussen dezelfde vier muren. Daarmee volgt Vlaanderen een beweging die al veel langer in de buurlanden bestond. De woningen worden modulair ontworpen met de mogelijkheid tot aanpassing aan de veranderende eisen van de bewoners voor als bijvoorbeeld de kinderen het huis uit zijn. Mensen kiezen bewuster voor de essentiële waarden van wonen. Bereikbaarheid, faciliteiten in de buurt, het sociale weefsel, toegankelijkheid, privacy... het zijn alle elementen van keuze voor de ene of de andere woning. (...) In tegenstelling tot de schaarste aan bouwpercelen, is er toch een grote verscheidenheid aan architecturale oplossingen en groeit er een zeer gevarieerde en aantrekkelijke woonomgeving. Iedereen vindt er wel zijn gading. Door de integrale aanpak van de hele woonomgeving wordt de leefbaarheid van de wijken gevoelig verbeterd en ontstaat er ook een verhoogd gevoel van veiligheid."

Levende kernen

Ten slotte incorporeert een streefbeeld voor duurzaam wonen en bouwen ook een nieuwe visie op ruimtelijke ordening. Zeker in Vlaanderen is dat geen overbodige luxe, waar een falend beleid sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog vandaag heeft geresulteerd in een hopeloos kluwen van lintbebouwing, een meer en meer verstedelijkt platteland en "verstikkende, stervende centrumsteden", aldus DUWOBO. Het Leitbild van DUWOBO ten aanzien van deze problematiek is niet alleen uitermate radicaal (in de correcte betekenis van het woord) maar ook ongemeen lyrisch. We geven enkele elementen mee:

"Onze ruimtelijke ordening laat in 2030 veel meer ruimte voor dialoog, voor onbestemde ruimtes, voor passage, voor toegankelijkheid, voor diversiteit, voor partnerships in de projectontwikkeling waarbij tegelijk het bestaande erfgoed een nieuwe herkenbare plaats krijgt in het bouwweefsel. (...) Opportuniteiten voor vrije ontmoeting tussen diverse culturen en leeftijden, bewoners en bezoekers, de mobiele en de immobiele mens zijn er in overvloed. (..) Nieuwe vormen van wonen bepalen mee het stads- en dorpsbeeld en het beeld van de verdichte centrumsteden en gemeenten. Samen met de ver doorgedreven vermenging van functies in deze woonomgeving zijn de bestaande woon-, leef- en werkkernen bruisende kernen vol leven. (...) In onze nieuwe manier van plannen is er veel meer balans tussen open en gesloten ruimte, harde en zachte ruimte, rust en leven, tussen verschillende activiteiten en functies. Verder krijgen nieuwe woonformules ruimte, licht en lucht en is elke partij medeverantwoordelijk voor de openbare ruimte."

De laatste zinnen maken duidelijk dat het wel degelijk een streefbeeld is. Iets minder abstract in deze context is de snel groeiende aandacht in de literatuur voor de transitie naar groene stadsplanning (green city planning).

Barrières voor duurzaam wonen en (ver)bouwen

De aandachtige lezer zal opgemerkt hebben dat er nog een gigantische kloof bestaat tussen het zopas geschetste streefbeeld en de hedendaagse werkelijkheid. De overgang naar zo'n toekomst wordt uiteraard bemoeilijkt door een heel aantal knelpunten en barrières. In de eerste aflevering van deze rubriek gaven we al een uitvoerig overzicht van de vele types barrières die maken dat de transitie naar duurzame productie en consumptie geen triviaal gegeven is. We maakten een onderverdeling op basis van het schema van Ken Wilber; daarin onderscheidden we barrières op het niveau van structuren, cultuur, attitude en gedrag. We passen dit analysekader nu toe op de sector van het wonen en bouwen. Het spreekt voor zich dat het schier onmogelijk is om alle types van barrières in even groot detail te bespreken. Daarom focussen we hoofdzakelijk op de knelpunten waarmee in hoofdzaak de consument vandaag wordt geconfronteerd op het vlak van duurzaam wonen en (ver)bouwen.[18] Wat hier sterk opvalt is dat de barrières, in contrast met de andere consumptiedomeinen, zich prioritair op structureel vlak bevinden.

Gedrag

Op het individueel gedragsniveau situeren we in de eerste plaats de feitelijke kennis van de problemen die verbonden zijn aan de hedendaagse manier van wonen en (ver)bouwen. Zoals in de inleiding werd aangegeven, heeft de sector van het wonen en bouwen een zware ecologische voetafdruk. De ernst van deze feiten behoort zeker niet tot de kennis van elke burger. Meer specifiek heeft onderzoek vastgesteld dat de kennis over alternatieve bouwconcepten (cf. passiefhuis), milieuvriendelijke verwarming- en energietechnieken (cf. warmtepompen, condenserende ketels, micro-warmtekrachtkoppeling, fotovoltaïsche energie, zonneboilers etc.) en/of (ver)bouwmaterialen en toebehoren, nog helemaal niet is doorgedrongen bij de doorsnee consument.[19] Onbekend maakt onbemind. Om deze informatiekloof weg te werken is er niet alleen behoefte aan betere, meer betrouwbare en meer gecoördineerde informatie over alternatieven maar moeten vooral de vragen hoe en wanneer energie besparen vakkundig aangesneden worden.[20]

Een ander opvallend fenomeen in het dagelijks woongedrag van mensen is dat, net als bij mobiliteit en voeding, routineuze patronen overheersen. Zoals al veelvuldig aangestipt in deze rubriek zijn alle vormen van gewoontegedrag moeilijk te wijzigen. Dat geldt des te meer naarmate de routine frequenter wordt herhaald. Dagelijkse woonpatronen zijn met andere woorden moeilijker om te buigen dan zaken die slechts af en toe moeten worden uitgevoerd (bv. aankoop nieuwe verwarmingsketel). Onder de routines die heel moeilijk te veranderen zijn, vallen de elektriciteitsconsumptie, het waterverbruik en de energiebehoefte voor verwarmen (en koelen). Dit heeft voor een aanzienlijk deel ook te maken met de slechte informatieverstrekking op de factuur voor gas, water en (vooral) elektriciteit. Consumenten betalen op regelmatige basis hun rekeningen zonder dat zij een duidelijk overzicht krijgen van waar (bijvoorbeeld) de elektriciteit precies werd geconsumeerd. Er is geen enkele vorm van feedback. Hierdoor blijven energievreters buiten zicht. De consument betaalt routineus voor een abstracte hoeveelheid kWh, waardoor er geen drijvende kracht is om het gebruik van bepaalde, energie-inefficiënte toestellen in vraag te stellen. Het is te vergelijken met een compleet ondenkbare situatie in de supermarkt waar men maandelijks zonder enige verdere informatie een bepaald bedrag voor ‘voeding' zou moeten ophoesten. Tal van onderzoekers hebben in die context gewezen op het belang van meer feedback naar de consument toe. Dat zou onder andere kunnen met de zogenaamde smart meters[21], waarbij het elektriciteitsverbruik van alle energieconsumerende toestellen rigoureus wordt bijgehouden.

Wanneer het gaat over het in vraag stellen van zowel de frequente als de minder frequente routines, hebben tal van onderzoekers de uitdrukkelijke aandacht gevestigd op het belang van het genereren en verzilveren van windows of opportunities. Wanneer mensen verhuizen, scheiden, kinderen krijgen, geliefden verliezen etc. zijn zij meer vatbaar voor het in vraag stellen van bepaalde routines en gewoontes. Vanuit het beleid is het dan cruciaal om net op die momenten duurzame alternatieven te kunnen aanbieden.

Attitude

 

In de vorige afleveringen van deze rubriek stelden we al dat waarden, kaders en morele normen elk facet van ons leven beïnvloeden, ook wonen en bouwen. Attitudes bepalen mee in hoeverre mensen bereid zijn om na te denken over duurzame alternatieven. Daarbij moet men ook steeds in het achterhoofd houden dat bij de meeste consumenten de factor ‘milieu' slechts één van de vele mogelijke drijfveren voor concreet gedrag is, naast comfort, kostprijs, esthetiek, gemak etc. Dit hangt samen met de al vaak vermelde attitude-gedragskloof. Milieuvriendelijke attitudes correleren helemaal niet zo goed met concreet milieuvriendelijk gedrag, precies omwille van de invloed van andere factoren (niet in het minst het inkomen) en praktische barrières. Dit is de reden waarom sommige onderzoekers al lang niet meer willen focussen op zelfverklaarde attitudes maar wel op het concrete dagdagelijkse gedrag van consumenten. Om het met de woorden van Jesper Ole Jensen te zeggen: "The challenge is a more reflexive effort where one has to decide whether to give people the right attitudes or make them do the right thing."[22] We komen er in het volgende gedeelte nog op terug.

Verder moeten we in deze context ook opnieuw benadrukken dat de algemene beschouwingen over de rol van ontkenning van de sociaal-ecologische problematiek of de gevoelens van onmacht ook hier uiteraard zeer relevant blijven. Vooral de zogenaamde lage perceived behavioural control (PBC) of de ermee samenhangende lage perceived freedom of action spelen een niet onbelangrijke rol wanneer het gaat over meer duurzame keuzes inzake residentiële energieconsumptie. En het hoeft inderdaad gezegd te worden dat als gevolg van structurele barrières niet iedereen een even grote bewegingsvrijheid heeft op het vlak van energieconsumptie. Dit neemt niet weg dat de ‘echte' vrijheid om keuzes te maken in de meeste gevallen toch nog groter is dan de gepercipieerde vrijheid.[23] Kan men niet stellen dat structurele barrières vaak als excuus worden ingeroepen om niets te moeten veranderen? Dit hangt dan uiteraard rechtstreeks samen met het conservatisme van dagdagelijkse routines en gewoontes.

Wereldbeeld

Op collectief-subjectief niveau situeren we de knelpunten en barrières die voortvloeien uit de thans dominante sociale, culturele en ethische normen inzake wonen en (ver)bouwen. Deze zijn zeker niet te onderschatten op het vlak van woonkeuzes. De transitiearena DUWOBO maakt gewag van een zogenaamde "individualistische en starre wooncultuur" in Vlaanderen, die gekenmerkt wordt door een hoge graad aan honkvastheid. DUWOBO beschouwt het grote eigen woningbezit als een knelpunt dat een verlammende werking uitoefent op de noodzakelijke mobiliteit op de woningmarkt. (Dit is duidelijk een stelling die meer discussie vereist.) De Vlaamse wooncultuur vindt zijn uitdrukking in een hoog percentage aan eigenaars-bewoners en een ideaalbeeld van de grote, vrijstaande woning op het platteland. Woonconsumenten laten zich leiden door esthetiek, status en luxe, "met onduurzame woonstijlen tot gevolg".[24] Ecologisch bouwen vereist immers in eerste instantie dat men compact bouwt. Dit impliceert een zo groot mogelijk binnenvolume ten opzichte van een zo klein mogelijke buitenoppervlakte. In die zin zijn vrijstaande woningen geen goede keuze vanuit puur ecologisch oogpunt. In het dominante culturele perspectief wordt ecologische duurzaamheid echter vooral gezien als een kostenpost. Dat de drang naar luxe en esthetiek ten koste van duurzaamheid geen specifiek Vlaamse ziekte is, wordt aangetoond in Noors onderzoek waar gelijkaardige problemen te berde worden gebracht:

"The dream house is also a single-family house situated nearly alone in the nature with an excellent see view. (...) There is a large share of homeowners in Norway, and this is culturally rooted. (...) The main norm is that it should be comfortable and large. This is also linked to conspicuous [status] consumption..."[25]

Dit alles maakt dat de gangbare culturele normen inzake wonen en bouwen een substantiële barrière vormen voor de transitie naar bijvoorbeeld het geschetste Leitbild van DUWOBO. Anderzijds kan men wel aanstippen dat de realiteit van statusconsumptie in bepaalde gevallen ook in een ecologische richting kan worden omgebogen. Men denke hierbij aan de snelle opgang van dure, goed zichtbare fotovoltaïsche panelen in luxueuze villawijken. Green conspicuous consumption heet dat dan.

Structuur

Zoals reeds aangegeven in de inleiding van deze paragraaf zijn het toch vooral de structurele barrières die vandaag de hoofdoorzaak zijn voor het uitblijven van de grote transitie naar duurzaam wonen en bouwen. We maken daarbij het onderscheid tussen economische, politieke en structureel-technologische barrières.

Vooreerst is de economische prijszetting vandaag scheefgetrokken: duurzaam gedrag wordt in het algemeen financieel afgestraft; onduurzame keuzes worden de facto financieel aangemoedigd. Denk maar aan het feit dat groene elektriciteit vandaag in de meeste landen gemiddeld gezien duurder uitvalt dan elektriciteit op basis van fossiele energie (tenminste wanneer men bij dezelfde leverancier zijn elektriciteit aankoopt[26]). Hetzelfde geldt voor heel wat bouwmaterialen en toebehoren, zoals bijvoorbeeld natuurverven. In de huidige economie worden kosten al te vaak afgewenteld op de rest van de wereld en de toekomstige generaties. Het zogenaamde economisch optimum komt daarom helemaal niet overeen met het ‘ecologisch ideaal' (namelijk een zo laag mogelijke impact).

Ten tweede kan men vaststellen dat de initiële meerkost van duurzame investeringen (passiefhuis, milieuvriendelijke verwarming, hoogrendementsglas etc.) een structurele, economische barrière opwerpt voor de consument. Belastingaftrek, die pas twee jaar na datum wordt genoten, is daarom niet interessant voor de minder koopkrachtige would-be verbouwer. Onderzoek heeft ook aangetoond dat, zelfs wanneer de initiële meerkost op zich geen echt probleem is, veel consumenten een zeer korte tijdshorizon hebben. Dit impliceert dat de terugverdientijd van de investering voldoende kort moet zijn vooraleer men bereid is de portefeuille boven te halen. In Noors onderzoek bedroeg de ‘accepteerbare' terugverdientijd maximum 3 à 5 jaar.[27] Een hiermee verbonden en in de literatuur goed gekend probleem is dat van het user-invester dilemma.[28] Wanneer iemand een woning of een appartement huurt dan bestaat er geen grote neiging om te investeren in ecologische renovatie. De kostprijs weegt dan immers niet op tegen het feit dat men slechts een zeer beperkte tijd kan genieten van de lagere energiekost. Huurders zijn bovendien gemiddeld gezien niet de meest kapitaalkrachtigen in de samenleving, waardoor dure investeringen sowieso moeilijk haalbaar zijn. Anderzijds is de doorsnee verhuurder niet snel geneigd grote investeringen te maken aangezien hij niet zelf instaat voor de energiefactuur. Slechts wanneer hij zijn investering kan doorrekenen in een hogere verhuurprijs zal hij eventueel bereid zijn dit te doen. Het spreekt voor zich dat de overheid dit via reglementering gedeeltelijk ongedaan kan maken. Ook renteloze leningen aan huurders zouden hier soelaas kunnen brengen (zie verder).

Daarnaast zijn er ook zeer substantiële barrières op politiek niveau, zowel in de partijpolitieke als bedrijfsmatige sfeer. Zoals al aangegeven is er een grondige mismatch tussen het korte electorale tijdperspectief en de langetermijnvisie van transitiemanagement. Het weggeven van stookoliecheques heeft in die optiek een groter onmiddellijk (electoraal) resultaat dan het opzetten van een traag maar gestaag renovatieproject waarbij de energiekosten structureel worden gedrukt. Gelukkig zien we hier de laatste jaren enige positieve evoluties optreden. Toch schort er heel wat aan het courante overheidsbeleid inzake wonen en bouwen. Tot die conclusie komt alleszins de transitiearena DUWOBO:

"Voor bouwen en wonen worden de volgende bevoegdheden apart georganiseerd: wonen, ruimtelijke ordening, milieu, welzijn en gelijke kansen, productnormen en labeling (federaal) en fiscaliteit. Een aantal van deze bevoegdheden is relatief nieuw. Er bestaan weinig overlegstructuren of integrerende instrumenten. Hierdoor wordt het systeem wonen en bouwen vanuit de overheid niet coherent bestuurd."

Dit valt ook overigens op bij een kritische analyse van de subsidiesystemen voor energierenovaties. Mathias Bienstman van Netwerk Vlaanderen oppert dat het huidige stelsel van financiële stimuli voor energierenovatie op belangrijke punten tekortschiet: "Het is ondoorzichtig, weinig doelmatig, soms te duur en in bepaalde opzichten discriminerend."[29] Bienstman toont overtuigend aan dat wie handig en slim is, zonder probleem de weg naar de vetpotten van de overheid vindt. Er zijn zelfs gevallen bekend waar de verbouwers meer subsidies vergaarden dan wat zij uitgaven voor hun investeringen. We kunnen hier spreken van het Mattheuseffect: de subsidies komen in veel gevallen terecht bij de mensen die ze eigenlijk niet nodig hebben, terwijl de sociaal-zwakkeren buiten spel worden gezet. Het resultaat hiervan is dat de beperkte overheidsmiddelen verre van optimaal worden ingezet, noch op sociaal, noch op ecologisch vlak.

Op bedrijfsmatig niveau spreken heel wat onderzoekers over de knelpunten die worden veroorzaakt door de grote energiebedrijven van vandaag. Om hun gevestigde belangen optimaal te verdedigen hebben zij geen behoefte aan systeeminnovatie, noch bij de producent, noch bij de consument. Dit wordt mooi samengevat door Lahlou en collega's: "Energy companies are, as organizations, naturally risk averse and slow to take initiatives into the new system which question their present, practice, market position and investments."[30] Dit is trouwens ook de reden waarom men bij transitiemanagement eerder geïnteresseerd is in nichespelers en vernieuwingsgezinde regimespelers. Op het vlak van energieproductie en consumptie moeten we naar nieuwe businessmodellen evolueren waarbij energiebedrijven geen kWh meer verkopen dan wel energiediensten. Dit impliceert ook de transitie naar een (op zijn minst deels) gedecentraliseerd netwerk waarbij consumenten prosumenten worden. Dat betekent dat zij naast het consumeren van energie ook energie in de vorm van elektriciteit kunnen produceren (via bv. zonnepanelen of micro-warmtekrachtkoppeling). Het probleem is evenwel dat in de huidige wetgeving het nog niet is toegestaan dat burgers bijvoorbeeld netto producenten worden van elektriciteit.

Ten slotte bestaan er ook heel wat structureel-technologische knelpnten. Op het vlak van (ver)bouwen betreft het volgens DUWOBO in eerste instantie de aard van het bouwproces zelf. Deze industrie wordt getypeerd door een typische lineaire ketenaanpak met tal van individuele schakels die onvoldoende met elkaar communiceren. Hierdoor gebeuren bouwprocessen te weinig collectief. In de opleidingen van ingenieurs, architecten, bouwprofessionelen en ontwerpers is duurzaamheid nog veel te weinig geïntegreerd. Hierdoor verhindert de traditionele bouwcultuur, aldus DUWOBO, dat nieuwe technieken en werkwijzen op grote schaal worden toegepast. Dit geldt bijvoorbeeld voor de bouw van passiefhuizen op basis van ecologische materialen, al begint ook hier enige verandering in op te treden.

Een tweede structurele barrière vindt zijn oorsprong in de traagheid van het woonbestand. Gebouwen hebben vaak een levensduur van meer dan 50 jaar. De jaarlijkse aangroei van nieuwe woningen komt overeen met gemiddeld gezien ongeveer 1% van het woningbestand. Ongeveer 75% van de huidige woningen zullen tegen 2050 nog in gebruik zijn.[31] Dit bevestigt het enorme belang van een bloeiende ecologische renovatiesector, waarbij zoveel mogelijk elementen uit de passiefhuistechnologie geïntegreerd worden. Dit is echter eenvoudiger gezegd dan gedaan. De eco-efficiënte renovatie van woningen is een complex gegeven, dewelke een geval per geval benadering vereist. Op dit vlak bestaan er dus belangrijke opportuniteiten voor het opleiden voor professionele energie-auditeurs die gevalspecifieke oplossingen kunnen voorstellen.

Ten slotte is het ook evident dat we in vele gebieden in Europa, niet in het minst in Vlaanderen, geconfronteerd worden met een loodzware erfenis op het vlak van ruimtelijke ordening. In die context is duurzaam wonen en bouwen, net als duurzame mobiliteit, geen sinecure. Dit bevestigt eens te meer de noodzaak van een systeemaanpak om tot trendbreuken te komen. Anderzijds kan men in die gebieden in de wereld waar men letterlijk vanuit het niets gloednieuwe steden moet bouwen, onmiddellijk overgaan tot leapfrogging. Door meteen te kiezen voor green city planning, zoals bijvoorbeeld in Dongtan (Shanghai), vermijdt men de structurele lock-in-situaties die wij nu in de westerse steden kennen.

Welke strategie voor duurzaam wonen en bouwen?

Uit het voorgaande is gebleken dat de transitie naar duurzaam wonen en bouwen per definitie een multi-actor proces moet zijn, waarbij alle relevante stakeholders worden betrokken, zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde. Anders dan in het geval van toerisme, bestaat er vandaag reeds een zeker aanbod aan duurzame alternatieven op het vlak van wonen en bouwen. Duurzame niches beginnen langzaamaan tot wasdom te komen. In zekere zin is de transitie reeds opgestart. Toch blijven er nog tal van (vooral maar niet alleen) structurele obstakels die uit de weg moeten worden geruimd om de transitie in een hogere versnelling te brengen. Niches moeten daarbij uitgroeien tot nicheregimes die de bestaande dominante regimes verdringen. Het spreekt voor zich dat een weloverwogen, meervoudige aanpak nodig is waarbij diverse transitiepaden worden uitgewerkt. Een mooie selectie van transitiepaden werd gepresenteerd in het document Vlaanderen in de steigers. Deze vereisen de evolutie ‘naar een flexibel en transparant bouwproces', ‘naar een maatschappelijk verantwoorde en innoverende bouwsector', ‘naar een duurzaam materiaalgebruik', ‘naar energieproducerende en energiezuinige woningen', ‘naar een duurzame woonkwaliteit', en ‘naar een duurzame woonconsument'. Om dergelijke transitiepaden succesvol te kunnen inslaan, zijn er uiteraard een heel aantal instrumenten nodig. De voorgestelde opties komen in wezen overeen met een concrete uitwerking van het 4E-model dat we in deze rubriek al vaak te berde brachten: enable, exemplify, encourage, engage. Net als op het vlak van mobiliteit, voeding en reizen moeten de verschillende instrumenten voor duurzaam wonen en (ver)bouwen zorgen voor elkaar versterkende veranderingen op het vlak van technologie, economie, instituties, routines, sociale normen en waardesystemen. Hieronder geven we enkele cruciale elementen van een 4E-politiek in functie van duurzaam wonen en (ver)bouwen, vooral bekeken vanuit het standpunt van de consument.

Enable

Zoals al veelvuldig aangegeven is de conditio sine que non voor duurzaamheid dat er een ruim, toegankelijk en comfortabel aanbod bestaat van duurzame alternatieven. Wanneer er amper duurzame oplossingen bestaan (zoals in de sector van het toerisme), dan kan men onmogelijk verwachten dat consumenten duurzame keuzes maken. In het geval van wonen en (ver)bouwen zetten wij zwaar in op uiterst strenge (product)normen. Een choice editing-beleid maakt dat de consument niet meer hoeft te kiezen tussen eco-efficiënte en verspillende technologieën, want er bestaan dan alleen nog efficiënte oplossingen. Het productnormbeleid is relevant op minstens drie niveaus, refererend aan de ecologische prestaties van woningen en gebouwen, materialen en elektronische apparaten. Deze enabling-maatregelen zullen moeten worden gekoppeld met radicale evoluties inzake prijszetting (waarbij externe kosten worden geïnternaliseerd) en een intelligent, pro-actief beleid dat ecologische oplossingen subsidieert.

EPB-wetgeving. Een cruciaal element in een enabling-politiek is de totstandkoming van een stringent normeringsbeleid op het vlak van ‘woonkwaliteit'. Hiermee verwijzen we naar de regelgeving inzake energieprestatie, thermische isolatie en binnenklimaat (EPB). De EPB-wetgeving is in Vlaanderen sinds 1 januari 2006 van kracht. Woningen die verkocht of verhuurd worden, moeten voortaan beschikken over een energieprestatiecertificaat. Potentiële kopers en huurders kunnen dan een betere inschatting maken van de energiekwaliteit van de woning. De wetgeving moet anderzijds eigenaars aanzetten tot energiebesparende maatregelen. Een laag E-peil correspondeert met een energiezuinige woning. Om dit te bereiken is het vooral van belang om compacte gebouwen neer te zetten, goed te isoleren, luchtdicht te bouwen, een goede ventilatie te realiseren en een verwarmingsysteem met een hoog rendement te installeren.

Hoewel de Vlaamse nieuwbouwwoningen gemiddeld gezien E92 halen,  is de wettelijke norm  voor nieuwbouwwoningen in de private markt vandaag nog maar E100. De E100-norm komt overeen met wat Denemarken al 30 jaar geleden invoerde als isolatienorm. In 2010 wordt de norm in Vlaanderen wel verstrengd tot E80. Toch is dit ons inziens onvoldoende. De kloof met de best beschikbare technologie is immers te groot. Onderzoek aan de KULeuven kwam tot de conclusie dat het ‘economisch optimum' vandaag al E60 bedraagt (40% energiezuiniger dan de wettelijke norm van vandaag, 20% beter dan de norm in 2010).[32] Met de term ‘economisch optimum'[33] refereert men aan de investering in energie-efficiëntie die financieel het goedkoopst uitkomt voor de bouwheer, rekening houdend met de energieprijzen van vandaag en de woonkosten over een periode van 30 jaar.

Een moedig beleid zou inhouden dat men trapsgewijs, maar wel in redelijk snel tempo, de EPB-normen verstrengt. Dit impliceert dat men de norm voor nieuwbouwwoningen tegen 2010 niet op E80 dan wel meteen op het E60-niveau brengt. Vervolgens kan men de passiefhuisnorm als wettelijke verplichting invoeren. Dit zou gepaard moeten gaan met andere criteria zoals locatiekeuze en de herkomst van de bouwmaterialen (zie verder). Overigens werd in 2008 al een resolutie in het Europees Parlement aangenomen waarin de Europese Commissie gevraagd werd het passiefhuisconcept als wettelijke norm in te voeren tegen - inderdaad - 2011. Dit komt overeen met een E-peil in de ordegrootte van E20-E55. Door de EPB-normen slechts traag te verstrengen (naar E80 in 2010), dreigt Vlaanderen achterop te lopen ten aanzien van zijn buurlanden.

Een gelijkaardig normeringsbeleid zou moeten gelden voor de vernieuwbouw. Om een zo groot mogelijk ecologisch effect te creëren met zo weinig mogelijk middelen zou men - in het algemeen - voor een eco-efficiënte renovatie achtereenvolgens de volgende stappen moeten ondernemen: isolatie van het dak of de zoldervloer, installeren van hoogrendementsglas, vervangen van oude verwarmingsystemen door efficiënte systemen (bv. condenserende ketels), en als kers op de taart de installatie van zonneboilers en/of zonnepanelen. In de toekomst moet het mogelijk worden om de bestaande huizen zodanig grondig te renoveren dat zij de norm voor passiefhuizen bereiken. Volgens de transitiearena DUWOBO zou deze passiefhuisnorm (qua E-peil) in de vernieuwbouw haalbaar moeten zijn tegen 2020.

Duurzame materialen. Hoewel de EPB-wetgeving een hele stap vooruit is, moet men zich rekenschap geven van het feit dat de E-normen geen eisen opleggen aan de locatiekeuze (stad versus afgelegen platteland) en de herkomst en/of recycleerbaarheid van de gebruikte bouwmaterialen. In het kader van transitiemanagement is er thans heel veel aandacht voor het bekijken van de volledige levenscyclus van woningen en de gebruikte materialen. Terecht waarschuwen pioniers zoals Geert Van Geeteruyen (vzw Dialoog) voor een fixatie op het energieaspect van woningen tijdens de gebruiksfase. Indien men immers ook de energie (inclusief de CO2-emissies) bekijkt die nodig is tijdens de bouwfase van de woning, dan zal een passiefhuis met standaardmaterialen netto gezien (bouwfase + gebruiksfase) minder goed scoren dan een laag-energiewoning opgetrokken met bio-ecologische materialen. Dit type van laagenergiewoningen heeft immers een substantieel lagere energiebehoefte tijdens de bouwfase in vergelijking met die van een ‘standaardpassiefwoning' (cf. cementbehoefte, energie-intensieve isolatiematerialen etc.). Duurzaam wonen en (ver)bouwen impliceert dus ook de toenemende integratie van alternatieve bouwmaterialen (bv. houtskeletbouw bij passiefwoningen), biologische isolatiematerialen, kunststoffen uit hernieuwbare materiaalstromen en (niet-schadelijke) secundaire grondstoffen. De productie van deze materialen kan dan best ook nog eens zo lokaal mogelijk georganiseerd worden. Dit is alvast essentieel om de industriële ecologie van de bouwsector te verbeteren. Om dit alles mogelijk te maken is er bijgevolg een pro-actief overheidsbeleid nodig dat alle kansen geeft aan een cradle-to-cradle-visie, door bijvoorbeeld samen met de betrokken sectoren wetgeving te creëren die het hergebruik van secundaire grondstoffen uit andere industriële sectoren (bv. staalslakken) mogelijk maakt. De overheid kan de integratie van duurzame materialen verder versnellen door strikte duurzaamheidcriteria op te leggen aan bouwmaterialen. Dit proces kan bewerkstelligd worden via bio-ecologische kwaliteitslabels. In deze context willen we ook melding maken van het concept earthships, woningen die maximaal gebruik maken van duurzame technologie en vooral van gerecycleerde materialen. Omwille van stedenbouwkundige problemen krijgen zij vandaag jammer geen vaste voet aan de grond.[34]

Efficiënte elektrische apparaten en verlichting. Een derde terrein waar een uiterst stringent overheidsbeleid nodig is, betreft de noodzakelijke reductie van de elektriciteitsconsumptie door de huishoudens. Cijfers uit het MIRA-T indicatorrapport '07 voor Vlaanderen tonen bijvoorbeeld aan dat het huishoudelijk elektriciteitsgebruik in Vlaanderen tussen 1990 en 2006 onafgebroken is gestegen (44% toename).[35] Dit heeft te maken met de toename van het aantal apparaten, de langere gebruiksduur van de apparaten (bv. langer tv-kijken per dag) en de introductie van nieuwe apparaten. De kleine verbetering in efficiëntie weegt bijgevolg niet op tegen de stijgende consumptie (rebound effect). Om dit probleem aan te pakken zijn er drie complementaire oplossingen: gedragswijzigingen (bv. lichten doven, toestellen op tijd uitzetten), zelf-opgewekte elektriciteit op basis van hernieuwbare energie (bv. fotovoltaïsche energie) en een radicale verbetering van de eco-efficiëntie van de apparaten. Om het tweede aspect mogelijk te maken, dringen verregaande evoluties op het vlak van de totstandkoming van smart grids zich onherroepelijk op. Het derde aspect kan worden aangepakt door zeer stringente eisen op te leggen aan producenten van apparaten en door bepaalde (wetenschappelijk achterhaalde) technologieën gewoon te verbieden (bv. gloeilampen, die perfect kunnen vervangen worden door spaarlampen en/of LED's). In de literatuur spreekt men van choice editing. De consument heeft er alleen maar voordeel bij. Die krijgt dan enkel nog efficiënte apparaten aangeboden. Om een reëel effect te hebben, zullen deze normen geen incrementele verbeteringen maar echte quantumsprongen qua productnormen moeten realiseren. Zoals gekend worden productnormen vooral op Europees niveau gerealiseerd, al zijn er soms ook mogelijkheden op lidstaatniveau.[36] Aanvullend met stringente productnormen is er ook dringend meer aandacht nodig voor ecodesignnormen. Ook dit vormt een cruciaal onderdeel van de transitie naar een industriële ecologie, waarbij producten zodanig worden ontworpen dat zij niet alleen energiezuinig zijn tijdens de gebruiksfase maar ook op een efficiëntie manier na de gebruiksfase terug kunnen worden opgenomen in de kringloop (de zogenaamde technosfeer).

Tabel 1: Een overzicht van de verschillende instrumenten voor duurzaam wonen en (ver)bouwen

Enable

Encourage

Exemplify

Engage

(Ver)Nieuwbouw: strenge normen (EPB+)

Slimme subsidiepolitiek voor (ver)nieuwbouw: centraal loket, harmonisering subsidies, energiekredieten met rentekorting

Voorbeeldprojecten voor sociale passiefwoningen, passiefscholen en openbare passiefgebouwen

Sensibilisatie met handelingperspectief

Duurzame materialen: kwaliteitsnormen en cradle-to-cradle beleid

Derdebetalersystemen

Consistent overheidsbeleid bij verschillende departementen

Educatie voor Duurzame Ontwikkeling (EDO) en Wonen en verbouwen

Elektrische apparaten:

strenge productnormen en ecodesigneisen

Consistent gedrag bij overheidsdiensten (verlichting, verwarming etc.)

Tewerkstellingprojecten voor lagergeschoolden in ecologische renovatie

Voorbeeldfunctie van bedrijven, middenveldorganisaties, etc.

Ondersteuning community change-projecten (klimaatwijken, transition towns etc.)

Encourage

Via het instrument enabling moeten duurzame alternatieven beschikbaar en vlot toegankelijk worden gemaakt. Om ervoor te zorgen dat deze daadwerkelijk worden opgenomen door consumenten zal men ook een prijspolitiek moeten voeren die dergelijke keuzes aanmoedigt en tezelfdertijd onduurzame keuzes financieel ontmoedigt. Een pro-actieve overheid, op de verschillende schaalniveaus, is hier absoluut essentieel. Cruciale concepten zijn: taksombouw, groene fiscaliteit en ecosubsidies. Die laatste zijn relevant voor de drie categorieën die we zonet behandelden: energieprestaties van (ver)nieuwbouw, duurzame materialen en efficiënte elektrische apparaten en verlichting. We behandelen het eerste aspect in meer detail. Zoals gekend zijn de meeste overheden, ook de Vlaamse en de federale, sinds enige jaren zeer actief op het vlak van subsidiëring van de bouw van lage energie-woningen en passiefhuizen en eco-efficiënte renovatiemaatregelen. Hieronder bekijken we hoe efficiënt en sociaal-rechtvaardig deze evoluties kunnen worden ingeschat.

Passiefhuizen. Opmerkelijk is dat in Vlaanderen sinds enkele jaren de passiefhuizen als paddestoelen uit de Vlaamse klei rijzen, dixit Peter Dellaert in het tijdschrift De Koevoet.[37] Dit is opmerkelijk aangezien in Vlaanderen de initiële meerkost van een passiefwoning (E20-E5) vandaag ongeveer 15% bedraagt ten opzichte van een standaard nieuwbouwwoning (E92). Ondanks het feit dat de meerkost terugverdiend wordt door de structureel lagere energiefactuur, vormt de initiële meerkost wel een reële barrière voor vele potentiële bouwers. Vanuit ecologisch standpunt zou het zeer jammer zijn indien deze meerkost ertoe zou leiden dat vandaag energie-inefficiënte woningen worden neergepoot. Een pro-actieve overheid doet er daarom goed aan om via een subsidiepolitiek de bouw van passiefwoningen toch financieel aan te moedigen, ondanks het feit dat het ‘economisch optimum' vandaag overeenkomt met E60-woningen. Hoe meer passiefhuizen er worden neergeplant, hoe sneller de kennis en de schaalvoordelen in deze sector bovendien zullen toenemen. Hierdoor zal de meerkost langzaamaan ingedijkt worden. Rekening houdend met de nakende peak oil en de problematische energieautonomie van de meeste Europese landen hebben we er ons inziens alle belang bij om zo snel mogelijk beter te doen dan de E60-norm. Positief is dat er in België stilaan een beweging is gekomen waarbij de diverse overheden subsidies aanbieden om de bouw van passiefwoningen te stimuleren: fiscale aftrek op federaal niveau (tot €7900), verminderde onroerende voorheffing op Vlaams niveau (40% vermindering, 10 jaar lang), premies vanuit de netbeheerders (€1500 voor nieuwbouw, €2000 voor renovatie tot passiefniveau) tot zelfs extra subsidies op gemeentelijk niveau (tot €6000).[38]

Slimme subsidiepolitiek. Daarnaast stellen we ook vast dat er vandaag heel wat subsidies worden aangeboden voor energiebesparende maatregelen. Hier is onze analyse minder positief. Met Mathias Bienstman delen we de mening dat de huidige subsidiepolitiek noch slim, noch sociaal rechtvaardig is (zie boven). Bienstman maakte een duidelijk voorstel om te komen tot drastische verbeteringen inzake energiepolitiek.[39] Een eerste aspect behelst de oprichting van één, vereenvoudigd energieloket voor alle premies, teneinde de hopeloze versnippering en complexiteit van het stelsel te verbeteren. De federale belastingsaftrek voor energiebesparende maatregelen kan worden afgeschaft (wordt toch maar 2 jaar nadien uitgekeerd). Idem dito voor de gemeentelijke premies. De premies van het gewest en de distributienetbeheerders worden op hun beurt verhoogd. Essentieel is dat ze opvraagbaar zijn voor iedereen via één energieloket. Op die manier vervalt een belangrijke informatiebarrière voor de minder creatieve, hoog-opgeleide en/of geduldige verbouwer, terwijl de overheid de premies veel beter kan optimaliseren in functie van de maatschappelijke noden. Een tweede verbetering houdt verband met de ‘slimheid' van de renovatiemaatregelen. Het geld zou vooral moeten gaan naar die maatregelen die het grootste ecologisch effect creëren aan een zo laag mogelijke kost. Ten slotte zijn we ook sterk begaan met de sociale rechtvaardigheid van de subsidiepolitiek. Gaan de middelen naar de juiste mensen? Vandaag gebeurt dat duidelijk niet: er is sprake van een aanzienlijk Mattheuseffect. Het feit dat belastingaftrek of premies pas jaren of ten minste maanden na datum worden toegekend, maakt dat energiebesparende investeringen voor veel mensen een brug te ver zijn. Een oplossing die hier meer en meer wordt bepleit is om te werken met energiekredieten met rentekorting (tot zelfs renteloze leningen). De maandelijkse aflossing van de lening kan dan terugbetaald worden via de besparing op de energiefactuur. Wat de financiering van deze kredieten betreft, zijn er verschillende opties. Ofwel doet de overheid dit zelf, ofwel gebeurt de kredietverstrekking via klassieke banken (met geld van particuliere spaarders en beleggers) in combinatie met de overheid. Dat laatste werd heel succesvol uitgevoerd in Nederland met de regeling Groenfondsen. Een interessant voorbeeld uit eigen land zijn de groene hypotheekleningen van Triodos Bank. Iedereen die een voorstel heeft voor een duurzaam (ver)nieuwbouwproject (grondige renovatie, bioklimatlogisch bouwen, hernieuwbare energie etc.) kan aankloppen voor een lening met een sterk verlaagde rente ten opzichte van het basistarief. In een transitiebeleid loont het sowieso de moeite om te experimenteren met nieuwe vormen van derdebetalercircuits waar mensen of organisaties met middelen worden ingeschakeld om ecologische oplossingen mee te financieren. Geslaagde voorbeelden hiervan zijn terug te vinden in Duitsland waar publieke middelen werden gecombineerd met private middelen om grootschalige isolatieprogramma's op te zetten.

Exemplify

 

Op het vlak van voorbeeldgedrag kunnen overheden in de woonsector een immens groot verschil maken. Los van de signaalfuntie (qua sociale normen) die de overheid heeft, kan zij als ‘innovatieve klant' via een groen aanbestedingsbeleid bepaalde ecosectoren (zoals bij passiefhuizen) substantieel versterken, zodat die ook toegankelijker worden voor de doorsnee consument. Een mooi voorbeeld hiervan is de mogelijkheid om op het vlak van schoolgebouwen, sociale woningen en overheidsgebouwen nu al (veel) verder te gaan dan de norm voor de private woningmarkt. Demoprojecten zoals dat van de 25 passiefscholen die Frank Vandenbroucke recent bestelde, zijn absoluut toe te juichen. Om een nog veel groter effect te creëren, zou de huidige norm voor scholen (E70) dan ook zo snel mogelijk moeten worden verstrengd. Even relevant is het gebruik van zeer stringente normen in de sociale woningmarkt. Overheden zouden meteen kunnen overgaan tot de passiefnorm (of toch minstens de E60-norm realiseren) voor nieuwe sociale woningen. Sociaal zwakkeren zouden dan niet langer geconfronteerd worden met hoge energiefacturen, zoals vandaag helaas nog al te vaak het geval is. Indien wordt overgegaan tot passiefwoningen is het wel essentieel dat de overheid voor aangepaste begeleiding zorgt, zowel voor aannemers (installatietechnisch) als bewoners (bv. correcte omgang met ventilatiesysteem).

Ten derde geldt de noodzaak en de opportuniteit van strenge E-normen ook voor nieuwe overheidsgebouwen. Waarom zou de overheid (op de vele niveaus) ook hier niet meteen verder durven gaan dan het gemiddelde nieuwbouwniveau of zelfs het economisch optimum? Steden als Freiburg (Duitsland) hebben deze weg al jaren geleden ingeslagen. Een wijk als Vauban is letterlijk volgebouwd met passiefgebouwen en energieluwe woningen. Vandaag verwelkomen de trotse inwoners van deze stad (in grootte vergelijkbaar met Leuven) nog steeds de ene groep onderzoekers na de andere die koortsachtig op zoek zijn naar de kernelementen van dit succesvolle transitie-experiment.

Andere exemplify-aspecten houden verband met de interne consistentie van de verschillende overheidsdepartementen. Zoals we al aangaven in het deel over de structurele barrières voor de transitie naar duurzaam wonen en bouwen helpt het niet dat in België de verschillende relevante bevoegdheden (bv. ruimtelijke ordening, milieu, welzijn, fiscaliteit, productnormen etc.) apart worden georganiseerd. Er is geen integrerende visie waardoor er heel wat kansen verloren gaan. Om een daadwerkelijke structurele transitie tot stand te brengen, is het dus essentieel om coherentie te brengen tussen het beleid van de verschillende overheidsdepartementen. Zonder een breed gedragen Leitbild, over de partijgrenzen heen, zal dit niet eenvoudig zijn.

Ten slotte wensen wij nogmaals te benadrukken dat de exemplify-rol ook relevant is voor alle invloedrijke actoren in de samenleving. Bedrijven en middenveldorganisaties hebben hier met andere woorden eveneens een belangrijke functie. Een mooi voorbeeld hiervan is de recente keuze van een massaorganisatie zoals de KAV-KWB om een nieuw passiefgebouw (Aeropolis II) op te trekken in Schaarbeek voor alle centrale diensten. Het effect hiervan naar de achterban kan niet onderschat worden.

Engage

Zoals uitdrukkelijk aangegeven in onze theoretische kadering van de barrières voor een duurzaamheidtransitie, is het essentieel dat ook de sociale normen inzake consumptie grondig evolueren. Dit blijft een uitermate relevant gegeven op het vlak van wonen en (ver)bouwen. De transitiearena DUWOBO schetste hiervoor zelfs een apart transitiepad "naar een duurzame woonconsument". Die is "zich bewust van de duurzaamheid van de woning wat betreft materialen, isolatie, ruimtegebruik, locatiekeuze en dergelijke." Sociale normen veranderen is zoals bekend een complexe, maar niet onmogelijke taak. Het hierboven geschetste voorbeeldgedrag van de overheid (signaalfunctie) is een belangrijk onderdeel van een strategie om sociale normen te veranderen. Minstens even noodzakelijk is een nieuwe visie op engagerende educatie voor duurzame ontwikkeling (EDO). EDO op het vlak van wonen en (ver)bouwen impliceert vooreerst dat duurzaamheid volop wordt geïntegreerd in de architectuur- en ingenieursopleidingen. Onderzoekers van het Instituut voor Milieu en Duurzame Ontwikkeling aan de UA kwamen tot de conclusie dat dit vandaag nog maar zeer beperkt het geval is.[40] Dit is bijzonder jammer aangezien de ontwerpers van woningen een enorm grote verantwoordelijkheid dragen voor alle volgende schakels in het bouwproces én de gebruiksfase van de woningen. Hetzelfde geldt trouwens voor elke vorm van design van producten of processen. Op de tekentafel of de computer worden beslissingen gemaakt die in de latere fasen nog moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden. Ecodesign zou op alle vlakken de regel moeten worden. De UA-onderzoekers besluiten hun studie met de oproep om duurzaam bouwen tot een volwaardige ontwerphouding te laten uitgroeien in het formele onderwijs voor toekomstige bouwprofessionelen. Tot dezelfde conclusie komt ook DUWOBO: "Op korte termijn (tegen 2010) moeten bijvoorbeeld vakkenpakketten worden aangepast en moet duurzame ontwikkeling opgenomen worden in de lerarenopleiding."[41] En ook in het niet-formele en informele EDO moet duurzaamheid veel sterker op de voorgrond worden geplaatst.

Rechtstreeks verbonden met de vorige elementen is dat de sensibilisering naar de bevolking op het vlak van duurzaam wonen en (ver)bouwen op een totaal nieuwe leest moet worden geschoeid. Effectieve sensibilisering moet niet alleen duidelijke handelingsperspectieven aanreiken maar moet ook het sociale, collectieve aspect van veranderingsprocessen in de verf zetten. Wat het eerste aspect betreft, gaat het niet zo zeer over de zoveelste folder die in de brievenbus van de consument wordt gedropt, maar veeleer over doelgroepspecifieke en gerichte voorlichtingsprogramma's waar vooral zeer concreet wordt ingegaan op de vragen hoe en wanneer men bepaalde zaken kan doen. Op het vlak van duurzaam wonen en (ver)bouwen zou het een enorme stap vooruit zijn indien toegankelijke, integrale adviesloketten worden opgericht, zodat de barrières voor de minder creatieve en actief op zoek gaande, would-be (ver)bouwers worden weggenomen. Als dit dan nog eens plaatsvindt in combinatie met het hierboven reeds vermelde energieloket dan kan men effectief trendbreuken verwachten. Effectieve sensibilisering zal daarnaast ook moeten vertrekken van het sociale aspect van veranderingsprocessen. Social marketing heeft op dat vlak aangetoond dat gemeenschapsprojecten (community change projects) een veel groter effect kunnen ressorteren dan de klassieke ééndimensionale informatiecampagnes. Een succesverhaal in Europa zijn de snel in aantal toenemende klimaatwijken. Hierin gaan groepen van families samen en op plezierige wijze de uitdaging aan om hun energieverbruik structureel en substantieel te doen dalen. In Vlaanderen lopen er trouwens ook succesvolle klimaatwijkinitiatieven met kansarme gezinnen.

Slot

Net zoals bij mobiliteit, voeding en toerisme vertegenwoordigt het consumptiedomein ‘wonen en bouwen' een aanzienlijk deel van onze totale milieu-impact (~30% van de totale ecologische voetafdruk). Het huidige woon- en bouwregime is structureel onduurzaam. Een transitie naar duurzaam wonen en (ver)bouwen dringt zich zonder meer op. Anders dan in het geval van het domein ‘toerisme' is het helemaal geen onmogelijke opdracht om een enthousiasmerend streefbeeld te schetsen voor hoe we in de toekomst kunnen wonen, (ver)bouwen en dus ook leven en werken. In Vlaanderen bijvoorbeeld ontwierp de transitiearena DUWOBO een uitdagend maar tegelijkertijd zeer attractief Leitbild voor duurzaam wonen en (ver)bouwen tegen 2030. In het vervolg van deze bijdrage hebben we impliciet aangetoond dat de transitie naar duurzaam wonen en (ver)bouwen in zekere zin al is ingezet, ondanks het bestaan van nog een heel scala aan hardnekkige barrières. Dat de transitie is ingezet (take-off fase in jargon), heeft alles te maken met de specifieke eigenschappen van de sector van het wonen en bouwen, waar win-win situaties alomtegenwoordig zijn. De pull-effecten voor duurzaam wonen en (ver)bouwen kunnen immers niet voldoende onderstreept worden. Op macroniveau betekent dat de groei van de werkgelegenheid in de bouw- en renovatiesector, de verhoogde energieautonomie, en de verbetering van de leefbaarheid in de steden. Duurzaam wonen en bouwen impliceert op individueel niveau onder andere een hoger wooncomfort en een lagere energiefactuur. De keuze voor passiefhuiswoningen hoeft dus niet alleen gebaseerd te worden op keiharde ecologische argumenten; financiële en comfortoverwegingen zijn voor vele mensen minstens zo belangrijk. Wellicht is dit de weg vooruit om het duurzaamheidsverhaal te mainstreamen. Overtuig mensen om groene keuzes te maken door de ecologische voordelen te koppelen aan meer klassiek economische en gevoelsmatige drijfveren. Environmental hitchhiking ("ecologie mee laten liften met economie en emotie") is de strategie met de grootste kans op slagen!


Bio's auteurs

Peter Tom Jones (1973) is Burgerlijk Ingenieur Milieukunde, Doctor in de Toegepaste Wetenschappen en werkzaam als IOF-mandataris (industriële ecologie) aan de KULeuven. Hij is o.a. co-auteur van Terra Incognita: Globalisering, ecologie en rechtvaardige duurzaamheid (Gent, 2006/2007), Het Klimaatboek: Pleidooi voor een ecologische omslag (EPO, Berchem, 2007) en Klimaatcrisis: Het failliet van het klimaatscepticisme. Zie ook www.petertomjones.be.

Vicky De Meyere (1980) is antropologe/politicologe en werkt voor het Project ‘Cultuur en (geestelijke) Gezondheid' aan het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg in Brussel. Zij is auteur van diverse artikels inzake ecologie, ethiek en gedragsveranderingen.



[1] Tukker, A. (ed.), System Innovations for Sustainability 1: Perspectives on Radical Changes to Sustainable Consumption and Production, Sheffield, 2008.

[2] Ibidem.

[3] IPCC, Fourth Assessment Report (AR4), WMO/UNEP, Geneve, 2007 [4 delen, beschikbaar via www.ipcc.ch].

[4] De beschrijving van het huidige regime is voor een groot deel gebaseerd op Lahlou, S. et al., ‘Energy use in houses and buildings and sustainable consumption', in Proceedings of SCP cases in the field of Food, Mobility and Housing, SCORE!, Lahlou, S., Emmert, S. (ed.), Paris, 2007, 397-409.

[5] VMM, MIRA-T Indicatorrapport 2007, 2007.

[6] Martens, B., ‘Actief werk maken van passiefbouw', ArgusMilieumagazine, 6, (4), 2008, 4-7.

[7] Lahlou, S. et al., ‘Energy use in houses and buildings and sustainable consumption', in Proceedings of SCP cases in the field of Food, Mobility and Housing, SCORE!, Lahlou, S., Emmert, S. (ed.), Paris, 2007, 397-409.

[8] Martens, B., ‘Actief werk maken van passiefbouw', ArgusMilieumagazine, 6, (4), 2008, 4-7.

[9] In dit geval is enige nuancering niet overbodig. Indien de vrijgekomen middelen van energiebesparing in het ‘woon- en (ver)bouwgedrag' worden gebruikt voor een hogere consumptie van andere energie-intensieve producten, dan kan de netto-impact op zich nog stijgen. Dit is een bijzonder geval van het rebound-effect.

[10] DUWOBO, Vlaanderen in de steigers: Visie op duurzaam wonen en bouwen in 2030 en actie voor nu. http://www.duwobo.be/media/transitieagenda_2007.pdf

[11] Ibidem.

[12] Franqueira, T., Conditi, R., ‘Collective housing with shared services', in Proceedings of Sustainable Consumption and Production: Opportunities and Challenges (Refereed Sessions II), SCORE!, Charter, M., Tukker, A. (ed.), Wuppertal, 2006, 197-209.

[13] Indien men ook de energie (en de CO2-emissies) bekijkt die nodig is tijdens de bouwfase van de woning, dan zal een passiefhuis met standaardmaterialen minder goed scoren dan een laag-energiewoning met bio-ecologische materialen. Die laatste hebben immers een substantieel lagere energiebehoefte tijdens de bouwfase.

[14] De passiefhuisnorm doet bijvoorbeeld geen uitspraak over de lokatie van een woning of de gebruikte materialen. Organisatie als vzw Dialoog benadrukken terecht het belang van meervoudige criteria voor ecologische gebouwen.

[15] Zie bv. Byrne, J., et al., ‘Relocating energy in the social commons: Ideas for a sustainable energy utility', Bulletin of Science Technology Society, 29, (2), 2009, 81-94.

[16] Battaglini, A., et al., ‘Development of SuperSmart Grids for a more efficiënt utilisation of electricity from renewable sources', Journal of Cleaner Production, 17, (10), 2009, 911-918.

[17] Jones, P.T., Jacobs, R., Terra Incognita, Gent, 2006/2007.

[18] De meervoudige barrières inzake de transitie naar een nieuw elektriciteitsysteem of naar totaal nieuwe woonvormen blijven daardoor in deze bijdrage enigszins onderbelicht.

[19] Zie bv. Kaenzig, J., Wüstenhagen, R., ‘Understanding strategic choices for sustainable consumption: the case of residential energy supply', in Proceedings of Sustainable Consumption and Production: Opportunities and Challenges (Refereed Sessions III), SCORE!, Charter, M., Tukker, A. (ed.), Wuppertal, 2006, 349-364.

[20] Zie bv. Throne-Holst, H., et al., ‘Barriers, bottlenecks and potentials for energy savings in households', in Proceedings of Sustainable Consumption and Production: Opportunities and Challenges (Refereed Sessions III), SCORE!, Charter, M., Tukker, A. (ed.), Wuppertal, 2006, 337-347.

[21] Fisher, C., ‘Consumer Feedback: a Helpul Tool for Stimulating Electricity Conservation?', in Proceedings of SCP cases in the field of Food, Mobility and Housing, SCORE!, Lahlou, S., Emmert, S. (ed.), Paris, 2007, 503-522.

[22] Jensen, J.O., ‘Measuring consumption in households: Interpretations and strategies', Ecological Economics, 68, (1-2), 2008, 353-361..

[23] Throne-Holst, H., et al., ‘Barriers, bottlenecks and potentials for energy savings in households', in Proceedings of Sustainable Consumption and Production: Opportunities and Challenges (Refereed Sessions III), SCORE!, Charter, M., Tukker, A. (ed.), Wuppertal, 2006, 337-347.

[24] DUWOBO, Vlaanderen in de steigers: Visie op duurzaam wonen en bouwen in 2030 en actie voor nu. http://www.duwobo.be/media/transitieagenda_2007.pdf

[25] Zie bv. Throne-Holst, H., et al., ‘Barriers, bottlenecks and potentials for energy savings in households', in Proceedings of Sustainable Consumption and Production: Opportunities and Challenges (Refereed Sessions III), SCORE!, Charter, M., Tukker, A. (ed.), Wuppertal, 2006, 337-347.

[26] Testaankoop toonde anderzijds wel aan dat in Vlaanderen groene elektriciteit niet noodzakelijk meer kost dan grijze (bijvoorbeeld Ecopower versus Electrabel). Binnen het aanbod van dezelfde leverancier is dat echter wel het geval. Zie http://www.test-aankoop.be/

[27] Zie bv. Throne-Holst, H., et al., ‘Barriers, bottlenecks and potentials for energy savings in households', in Proceedings of Sustainable Consumption and Production: Opportunities and Challenges (Refereed Sessions III), SCORE!, Charter, M., Tukker, A. (ed.), Wuppertal, 2006, 337-347.

[28] Schleich, J., ‘Barriers to energy efficiency: A comparison across the German commercial and services sector' Ecological Economics, 2009, [doi:10.1016/j.ecolecon.2009.02.008].

[29] Bienstman, M., ‘Overheidsgeld voor energierenovaties: meer of beter?', De Koevoet, (146), 2009, 36-39.

[30] Lahlou, S. et al., ‘Energy use in houses and buildings and sustainable consumption', in Proceedings of SCP cases in the field of Food, Mobility and Housing, SCORE!, Lahlou, S., Emmert, S. (ed.), Paris, 2007, 397-409.

[31] Ibidem.

[32] Verbeek, G., Optimisation of extremely low energy buildings, doctoraatsthesis, KULeuven,  mei 2007.

[33] Niets verhindert een bouwheer evenwel om verder te gaan dan dit ‘economisch optimum'. Dit kan simpelweg omdat men vindt dat dit het ‘juiste ding' is om vandaag te doen, louter omwille van de ecologische bijdrage die men op die manier kan leveren. De homo ecologicus primeert dan boven de homo economicus.

[34] Zie bv. http://www.earthshipbelgium.be/nieuws.html.

[35] VMM, MIRA-T Indicatorrapport 2007, 2007.'

[36] Keytsman, E., Jones, P.T., Het Klimaatboek: Pleidooi voor een ecologische omslag, Berchem, 2007

[37] Dellaert, P., ‘Passiefhuizen rijzen als paddestoelen uit de Vlaamse klei', De Koevoet, (145), 2008, 40-43.

[38] Zie Bienstman, M., ‘Overheidsgeld voor energierenovaties: meer of beter?', De Koevoet, (146), 2009, 36-39; Dellaert, P., ‘Passiefhuizen rijzen als paddestoelen uit de Vlaamse klei', De Koevoet, (145), 2008, 40-43.

[39] Bienstman, M., ‘Overheidsgeld voor energierenovaties: meer of beter?', De Koevoet, (146), 2009, 36-39.

[40] Arren, V., De Deckere, E., ‘Educatie voor duurzaam wonen en bouwen', ArgusMilieumagazine, 6, (3), 2008, 26-29.

[41] DUWOBO, Vlaanderen in de steigers: Visie op duurzaam wonen en bouwen in 2030 en actie voor nu. http://www.duwobo.be/media/transitieagenda_2007.pdf

 
< Vorige   Volgende >
Peter Tom Jones
Peter Tom Jones is burgerlijk ingenieur Milieukunde, doctor in de Toegepaste Wetenschappen en werkzaam als Onderzoeksmanager (IOF) aan de K.U.Leuven, met specialisatie in industriële ecologie. Hij is één van de 15 pioniers van Plan C, de Vlaamse transitie-arena voor een duurzaam materialenbeheer én van Terra Reversa, de Vlaamse denktank voor ecologische economie. Als ‘geëngageerd wetenschapper’ publiceerde hij talloze artikels, boekartikels en opiniestukken omtrent thema's als klimaat, transities, industriële ecologie en ecologische economie. Hij is co-auteur van o.a. Terra Incognita (Ginkgo, Gent, 2006), Het Klimaatboek (Berchem, 2007), Klimaatcrisis (Antwerpen, 2009) en Terra Reversa (Berchem/Utrecht, 2009).  
Lees Meer...