Home arrow Opiniestukken arrow Donderwolken boven Volkswagen Vorst
Donderwolken boven Volkswagen Vorst PDF Afdrukken E-mail

(Dries Lesage, Ward Bosmans, Peter Tom Jones, De Morgen, 21/11/2006)

Alweer kan de politiek haar machteloosheid moeilijk wegsteken. Ondanks de inspanningen van regering en werknemers om het de aandeelhouders naar hun zin te maken blijft onze auto-industrie fundamenteel bedreigd. Ondanks alle subsidies. Ondanks de recente beslissingen om de ploegen- en nachtarbeid goedkoper te maken, wat geld kost en de levenskwaliteit van de werknemers aantast. Het kapitaal dat internationaal opereert, heeft een onbetwistbare machtspositie ten opzichte van nationale politici en vakbonden. België, dat zelf weinig grote multinationals heeft voortgebracht, is extra kwetsbaar. De Duitse vakbonden en de deelstaat Nedersaksen, een aandeelhouder, hebben kennelijk hun macht in Volkswagen aangewend om een akkoord te verkrijgen over werkzekerheid in ruil voor langer werken. In zo’n context blijkt internationale solidariteit erg moeilijk.

Volkswagen is geen alleenstaand geval. Denk aan Renault, Sabena, DHL, Inbev. Werknemers hebben het gevoel wegwerparbeid te zijn. Het gangbare antwoord komt neer op het volgende: de nationale economie moet zich zo goed of zo kwaad als het kan aanpassen aan internationale marktkrachten, multinationale ondernemingen en mondialisering. Loonmatiging, langer werken voor evenveel of minder loon en lastenverlaging vormen hierbij klassieke recepten. Daarnaast moeten we volop inzetten op innovatie, in de hoop dat zodoende meer kapitaal in onze streken ontstaat of neerstrijkt, en dat we onze nieuwe producten verkocht krijgen. Veel zekerheid hebben we daarover niet. Onzekerheid is een basiskenmerk van ons economisch bestel. Alleen financieel, intellectueel en mentaal erg sterke, naast avontuurlijke mensen, zien hier een leuke uitdaging in, maar anderen willen liever geen speelbal van de economie zijn. Het afwijzen van de Europese grondwet, het succes van extreem rechts en de populariteit van uiterst links in Duitsland, Nederland en Frankrijk zijn hier wellicht voor een deel indicaties van.

Dit zet ons aan het denken over een andere economie. Een van de kernproblemen is het gebrek aan economische sturing. In een proces van ’creatieve destructie’ ondergaan we een komen en gaan van sectoren, terwijl elk land vecht om een plaatsje onder de zon. De autonomie van staten speelt zich af binnen de strakke contouren van de aanpassingspolitiek die zij ten dienste van het bedrijfsleven moeten voeren. En dan is het vooral hopen en afwachten. Dit geldt ook voor het verdienstelijke, maar al bij al beperkte innovatiebeleid van de overheden. Zo is het niet altijd geweest. In de periode 1945-1975 werd de internationalisering van financiën en productie bewust beperkt gehouden. Grote ondernemingen hadden minder bewegings- en beslissingsvrijheid, en toch was er geen centrale planeconomie. De markteconomie was ingebed in maatschappelijke doelstellingen als volledige tewerkstelling, sociale bescherming en cohesie. De Amerikaanse politicoloog John Ruggie noemde dit regime het ’compromis van het ingebedde liberalisme’. Het neoliberalisme dat na de jaren tachtig doorbrak, stelde dit helemaal in vraag.

De huidige generatie heeft een andere mentaliteit dan de generatie Roosevelt, Van Acker, de Gaulle, of de economen Keynes en Galbraith. De ambitie om vanuit de democratische gemeenschap de economie te sturen en aldus zekerheid tot stand te brengen, is opgeborgen. Wij zijn een generatie die zich gedwee aanpast aan de losgeslagen markt met haar overcapaciteit, overproductie en harde Europese en mondiale concurrentie. Ondertussen rukt de verrechtsing op en loopt de mondiale milieuproblematiek uit de hand. De huidige welvaartsstaten zijn nog altijd sterk in werkloosheidsuitkeringen en activeringsbeleid, maar niet in het scheppen van een preventief kader voor duurzame tewerkstelling. De kwetsbaarheid van België wijst op de noodzaak van een ambitieus en activistisch Europees sociaal-economisch beleid, dat nationale logica’s overstijgt. Waarom wordt niet gedacht aan een Europees beleidskader om het beslissingsrecht over de creatie en lokalisatie van duizenden jobs in grote industrieën voor een stuk aan de aandeelhouders te onttrekken? Hoewel minder aan de orde in deze zaak, kan de Europese constructie ook fungeren als buffer tegen de mondialisering en vaak keiharde concurrentie, in functie van werkzekerheid, ecologie en andere waarden.

Sociaal en ecologisch geïnspireerd ’protectionisme’ op EU-niveau en een juiste, ecologische prijs voor transport, gecombineerd met massale steun aan de diversificatie van de economie van arme landen, passen in dit plaatje. Regionale en lokale verankering van productie, met de bijbehorende werkzekerheid en milieukwaliteit, is een toekomst die wij alle macroregio’s in de wereld toewensen. Het neoliberale project van de Wereldhandelsorganisatie om van de wereld één supermarkt te maken overschrijdt de draagkracht van mens en milieu. Een actievere rol voor Europa sluit allerminst uit dat België zelf ook een sterk innovatie- en verankeringsbeleid blijft voeren, onder andere om de nationalistische reflexen van sommige multinationals beter op te vangen. Vandaag beleven we ten slotte een paradoxale situatie: we liggen wakker van de klimaatwijziging én van het behoud van een autofabriek. Laat er geen twijfel over bestaan: deze werknemers hebben recht op kwaliteitsvol werk, en tot nader order liefst binnen Volkswagen Vorst. Maar ondertussen moeten we kritisch durven nadenken over een economisch model dat ons al te vaak voor de keuze plaatst tussen sociale of ecologische afbraak, zoals ook bleek in de dossiers Doel, DHL en vele andere. Dan is men verwonderd dat de klimaatconferentie in Nairobi een flop is geworden.

Een sleutelprobleem is het ontbreken van massale tewerkstelling in ecologisch duurzame sectoren. Op dit punt is een rol voor de democratische gemeenschap - de staten en de Europese organen - weggelegd. Zijn de markt en de privésector gemotiveerd tot grootscheepse reconversie in de juiste richting? Is het niet de overheid die zo’n proces moet ontwerpen en sturen? Een inspirerend voorbeeld is misschien het Japanse Ministry of International Trade and Industry (MITI), dat het Japanse naoorlogse economische mirakel mee vorm heeft gegeven.

EU-Commissievoorzitter Barroso pleitte recent voor de oprichting van een ’Europees Technologie-Instituut’. Over de vorm kan gediscussieerd worden, maar dit is de juiste richting. Werkzekerheid en ecologische duurzaamheid in Europa vereisen een krachtig industrieel en innovatiebeleid, dat eigentijds moet zijn, maar ook mag leren uit een verleden waarin staatsinterventie geen taboe was. Een dergelijk beleid omvat volgende elementen: onderzoek en ontwikkeling voor een duurzame economie, voldoende kapitaal en risicodekking voor deze sectoren, meer zeggenschap van de gemeenschap in de beslissingen van grote ondernemingen, impulsen aan lokale productie en kmo’s. Toegegeven, er is nog veel denk- en studiewerk nodig over een andere economie. Een eerste voorwaarde is dat we intellectueel de bakens in het debat durven verzetten. Een tweede voorwaarde is het aantreden van een generatie visionaire politici, economen, ingenieurs en anderen die de mondialiserende economie weer onder democratische controle willen brengen.

 
< Vorige   Volgende >