Alleen via een metatransitie kan onze roofbouweconomie worden omgevormd tot een nieuwe, welvarende manier van wonen en werken in evenwicht met de draagkracht van de aarde. Sleutelingrediënten zijn nulgroei van de bevolking en gebruik van natuurlijk kapitaal plus continue verbetering van zowel technologie als ethiek. Peter Tom Jones geeft een schets van de weg naar rechtvaardige duurzaamheid, waarbij de focus niet ligt op kwantitatieve volumegroei maar op kwalitatieve verbetering van de levensvoorwaarden.
(verschenen in Milieu, het Nederlandse tijdschrift voor Milieuprofessionals zie ook http://www.vvm.info/)
Download pdf artikel Jones_Milieu hier
Sinds het midden van de jaren 1980 overschrijdt de mondiale milieu-impact de draagkracht van de aarde. Business as usual-projecties suggereren dat de ecologische overshoot verder kan toenemen van de huidige 30 procent tot zelfs 100 procent tegen de jaren 20301. De gevolgen laten niet op zich wachten. Naast de opwarming van het klimaat, worden we in toenemende mate geconfronteerd met biodiversiteitsverlies, erosie, verzuring van de oceanen en
grondstoffenschaarste. Om die roofbouw te stoppen moet het respecteren van de ecologische grenzen de basis vormen voor onze sociale en economische ontwikkeling. Er is bijgevolg behoefte aan een transitie naar een nieuw ecologischeconomisch model, dat een hoge levenskwaliteit weet te koppelen aan een lage milieu-impact.
Factor 10-reductie
Om ecologisch duurzaam te zijn, moet de doorstroom van materialen en energie binnen de biocapaciteit van de aarde blijven. Op lange termijn betekent dit een steady state of stationaire toestand, een idee dat oorspronkelijk afkomstig is van John Stuart Mill (1857). Hiermee verwees hij naar een nulgroei van de bevolking en het gebruik van natuurlijk kapitaal, waarbij tegelijkertijd een continue verbetering in technologie en ethiek moest worden nagestreefd. In een
dergelijke economie beschouwt men ontwikkeling eerder als de kwalitatieve verbetering van de levensvoorwaarden dan het nastreven van kwantitatieve volumegroei. Dit inzicht is uiteraard vooral relevant voor de ‘ontwikkelde’ economieën in het Westen. Hun milieu-impact moet sterk worden gereduceerd, met als eerste stap een sterke afname van de doorstroom (throughput) van materialen en energie in hun economieën om vervolgens te stabiliseren op een
stationair niveau. Voor de meeste geïndustrialiseerde landen betreft het een noodzakelijke dematerialisatie met een Factor 10, een daling van 90 procent dus2. Dit is een noodzakelijke langetermijndoelstelling om voldoende grondstoffen ter beschikking te stellen voor de behoeften van de ontwikkelingslanden3. De Factor 10-benadering geldt grosso modo ook voor de klimaatdoelstellingen van westerse landen tegen 2050.
Een daling van het milieubeslag met 90 procent is geen geringe opgave, zelfs niet in een economie die BNP-gewijs niet meer groeit. In een groeiende economie wordt die doelstelling uiteraard nog veel moeilijker te bereiken. Terugkijkend op de resultaten van de afgelopen decennia, is er weinig hoop dat een absolute Factor 10-reductie mogelijk is in een groeiende wereldeconomie. Toch betekent dit niet noodzakelijk dat dit ook in de toekomst onmogelijk is. Achim Steiner, topman van het VN-ontwikkelingsprogramma, pleit in dit verband voor een nieuwe ‘groene groeimotor’, gebaseerd op niet-vervuilende energiediensten en niet-materiële diensten in plaats van op milieubelastende producten.
BNP-groeidwang
In hoeverre is het echter biofysisch en thermodynamisch mogelijk om een eindeloze ontkoppeling te verkrijgen tussen BNP-groei en milieudruk? Zijn er in de praktijk geen technologische grenzen aan de dematerialisering? Of het nu gaat om de productie van voedsel (vooral vlees), metalen of elektronische
apparatuur, men zal altijd een bepaalde hoeveelheid grondstoffen, water en energie nodig hebben. Ook diensten kunnen pas worden geleverd door de tussenkomst van materialen. Het is een illusie om te denken dat het einde van het materiaaltijdperk in zicht is of dat ontkoppeling altijd maar kan doorgaan. Zelfs Nicholas Stern geeft impliciet in zijn laatste boek A Blueprint for a Safer Planet (2009) toe dat op de lange termijn eindeloze groei geen uitgemaakte zaak
is. En in Welvaart zonder groei (2010) stelt Tim Jackson dat degenen die ontkoppeling promoten als een vluchtroute beter moeten kijken naar de historische bewijzen en naar de eenvoudige wiskunde van het groeiverschijnsel4.
We komen dus uit op de noodzaak dat BNP-groeidwang beëindigd wordt en dat er een transitie komt naar een economisch model waar consumptiegroei niet langer noodzakelijk is. Die overgang is niet evident. Tim Jackson spreekt van het dilemma van de groei: eindeloos groeien is ecologisch onduurzaam, terwijl negatieve groei op de korte termijn economisch instabiel is. Wanneer groei achterwege blijft, raken politici in paniek. Ondernemingen komen in de
problemen. Werknemers verliezen hun baan en soms zelfs hun huis. Een negatieve spiraal dreigt, zoals we sinds de financieel-economische crisis van 2008 duidelijk hebben kunnen vaststellen. Voor vakbonden is dit een begrijpelijke reden om heel voorzichtig te zijn wanneer het groeimodel door academici ter discussie wordt gesteld.
Lagegroeiscenario
Omwille van de ecologische grenzen kan het dilemma van de groei echter niet langer genegeerd worden. Hoe moeilijk ook, een oplossing moet worden gevonden. Ecologische economen hebben al langere tijd gezocht naar uitwegen uit dit dilemma. Op het vlak van ecologische duurzaamheid zijn
de contouren van een stationaire economie - met een duurzame schaal, een rechtvaardige verdeling en een efficiënte allocatie van productiefactoren - al uitgebreid geschetst door pioniers als Herman Daly. Toch ontbreekt er nog steeds een macro-economisch model dat economische stabiliteit kan garanderen in afwezigheid van een eindeloze consumptiegroei. We beschikken nog niet over een model dat kan aangeven hoe de klassieke, samengestelde macro-economische indicatoren (productie, consumptie, investeringen, handel, kapitaalstock, openbare uitgaven, arbeid, geldaanbod, enz.) reageren wanneer kapitaal niet accumuleert. Het is opmerkelijk dat er in de literatuur bijna geen enkele poging is geweest om zo’n macro-economisch model te ontwerpen. Uitzondering op de regel vormt het werk van Tim Jackson, dat deels put uit dat van de Canadese econoom Peter Victor. Die maakte een model om het potentieel na te gaan van een stabiele, niet of heel traag groeiende economie, het Lagegroeiscenario. Op het vlak van investeringen vindt er in dit
scenario een verschuiving plaats van private naar publieke investeringen. Deze worden doorgevoerd door grootschalige wijzigingen in het belastingsysteem (ombouw naar een groen belastingstelsel) en in de aard en het niveau van openbare uitgaven. Ondanks een stijging van de arbeidsproductiviteit, neemt de werkloosheid af door zowel het totale als het gemiddelde aantal werkuren te beperken. Essentieel in dit transitiegebeuren is de herwaardering van de publieke sector. In plaats van de ‘vrije markt’ te verstoren, zal de openbare sector een proactieve rol dienen te spelen in het beschermen van de macro-economische stabiliteit, het leveren van openbare diensten, en het investeren in groene productie- en consumptiesectoren.
Pragmatisch radicalisme
Blijft natuurlijk de vraag over de te volgen weg van het huidige, onduurzame model naar de nieuwe, ecologische economie. Het is inderdaad al te gemakkelijk een utopisch streefbeeld van een andere economie te schetsen zonder daarbij aandacht te schenken aan de mogelijke transitiepaden
naar dat streefbeeld. In het boek Terra Reversa pleiten wij voor de strategie van het ‘pragmatisch radicalisme’: radicaal qua einddoel (een economische stabiele, sociaalecologische economie), maar pragmatisch en concreet via de volgende opeenvolgende stappen: op de korte termijn een groen en sociaal impulsprogramma (Green New Deal), op korte en middellange termijn een geïntegreerd 4e-beleid (enable, encourage, exemplify en engage) en op middellange tot lange termijn een transitiemanagementmodel. Dit stappenplan wordt concreet uitgewerkt voor de vier consumptiedomeinen
met de grootste ecologische impact: voeding, transport, wonen en reizen. Om het noodzakelijke draagvlak te vinden voor zo’n metatransitie,
zal die rechtvaardig moeten zijn. Een just transition houdt volop rekening met de sociale en werkgelegenheidsaspecten van het omschakelingsproces. Samenlevingen horen immers greep op de economie te hebben om ze te sturen in het algemeen belang. Dit betekent dat met name het progressieve maatschappelijk middenveld een historische rol heeft te spelen.
Peter Tom Jones
1 Hails, C. (red.), Living Planet Report 2008, WWF/Zoological Society of London/Global Footprint Network, Gland, 2008.
2 Schmidt-Bleek, F., Wieviel Umwelt braucht der Mensch? MIPS-Das Mass für ökologisches Wirtschaften, Berlijn, 1994.
3 UNEP, ‘Global Environment Outlook 2000’, UNEP, Malta, 2000.
4 Jackson, T., Welvaart zonder groei: economie voor een eindige planeet, Jan Van Arkel/Oikos, najaar 2010.
Auteursinfo
Peter Tom Jones (KULeuven) is een van de pioniers van de Vlaamse transitiearena voor duurzaam materialenbeheer én van Terra Reversa, denktank voor ecologische economie. Hij is mede-auteur van Terra Incognita (2006) en Terra Reversa (2009).
Zie ook: http://www.petertomjones.be/content/view/372/43/
|