Home arrow Recente Artikels arrow De nieuwe uitdagingen van het Antropoceen (Inl. Peter Tom Jones, in Tijd voor Biodiversiteit, ACCO)
De nieuwe uitdagingen van het Antropoceen (Inl. Peter Tom Jones, in Tijd voor Biodiversiteit, ACCO) PDF Afdrukken E-mail
Image

Inleiding Peter Tom Jones in het zopas gepubliceerde boek Tijd voor Biodiversiteit (Waelkens & Volkaert (red.), ACCO, 2011).

De nieuwe uitdagingen van het Antropoceen

In mei 2011 kwam in de Zweedse hoofdstad Stockholm een schare van Nobelprijswinnaars samen om een gedeelde visie te ontwikkelen om de planetaire duurzaamheidsuitdaging aan te pakken. In het inspirerende Stockholm Memorandum “Tipping the Scales towards Sustainability” roepen zij de wereldleiders op om eindelijk een planetair rentmeesterschap te ontwikkelen. In juni 2012 – 20 jaar na de legendarische conferentie in Rio – is het immers alle hens aan dek om de gestage sociaal-ecologische achteruitgang in deze wereld een halt toe te roepen.

De wereld van de wetenschap trekt al geruime tijd aan de alarmbel. Hoewel het Ecosysteem Aarde immens complex is en wij nog onwetend zijn over tal van zijn geheimen, zijn er vandaag al veel zaken die we wél begrijpen. Zoals de Nobelprijswinnaars in Stockholm aangaven, zijn wij de eerste generatie met een systemisch inzicht in de planetaire risico’s waarmee de mensheid geconfronteerd wordt. Voor moderne vooruitgangsoptimisten klinkt dit wellicht paradoxaal. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn de gemiddelde levensverwachting en het materiële welvaartsniveau van een groot deel van de wereldbevolking ontegensprekelijk toegenomen. Als eerste “Ecosysteemingenieur” is de industriële Homo Sapiens uitgegroeid tot een bijzonder succesvolle soort. Aan dit welslagen zit evenwel ook een gitzwarte keerzijde. Zo blijft de ongelijkheid tussen en binnen landen angstwekkend groot: meer dan een derde van de wereldbevolking beschikt over een inkomen van minder dan 2 dollar per dag. In combinatie met een duizelingwekkende bevolkingsgroei hebben onduurzame productie- en consumptiepatronen tot een situatie geleid waarin de veerkracht van het Ecosysteem Aarde danig uitgedaagd wordt, met potentieel verstrekkende gevolgen voor het menselijk welzijn van de huidige en (vooral) toekomstige generaties. De toename van de beheersingsmacht van de industriële mens heeft paradoxaal genoeg ook een verhoogde kwetsbaarheid met zich meegebracht.

Met de taal van de chaos- en complexiteitstheorie kan men aangeven dat de menselijke wijzigingen meervoudig, complex, interagerend en mondiaal zijn. Global change heet dat in het jargon, een proces dat nog veel omvattender is dan climate change. Zowat alle componenten van het Ecosyteem Aarde, of het nu gaat om het land, de kustgebieden, de atmosfeer, de rivieren of de oceanen, zijn vandaag wezenlijk beïnvloed. Het Ecosysteem Aarde verkeert in een zogenaamde no-analogue state. Onderzoekers van het International Geosphere Biosphere Program hanteren dit begrip om aan te duiden dat zowel de snelheid, de grootte als de ruimtelijke schaal van de menselijk geïnduceerde wijzigingen zonder voorgaande zijn in de geschiedenis van deze planeet – zodat er dus geen ‘analoog’ geval meer is waarmee men het huidige tijdvak kan vergelijken.

Om aan te geven dat er vandaag behoefte is aan een definitie van een nieuw geologisch tijdvak, lanceerde de Nederlandse Nobelprijswinnaar Paul Crutzen in 2000 al de term ‘Antropoceen’. Dat concept werd nadien door vele wetenschappers overgenomen. Het Antropoceen refereert aan de periode sinds het einde van de achttiende eeuw, het startpunt van de industriële revolutie. Het ‘Antropoceen’ volgt op het zogenaamde ‘Holoceen’, het tijdvak sinds het einde van de laatste ijstijd ongeveer 12.000 jaar geleden. Kenmerkend aan het Holoceen zijn de relatieve stabiliteit en gunstige omgevingsvoorwaarden voor de ontwikkeling van de menselijke beschaving.

Dat wij nu al een aantal planetaire grenzen hebben overschreden, behoort tot de wetenschappelijke consensus binnen de milieuwetenschap. Onder leiding van het Stockholm Resilience Institute publiceerde een select groepje wetenschappers in Nature in september 2009 het nu al legendarische Rockström-diagramma. Hierin claimen zij dat voor drie van de tien grootste planetaire ecologische problemen – opwarming van de aarde, verlies aan biodiversiteit en verstoring van de stikstofcyclus – al kritische drempelwaarden werden overschreden. Zoals u kan lezen in het boek dat nu voor u ligt, beleven we vandaag de zesde extinctiepiek in de geschiedenis van deze planeet, de eerste die veroorzaakt wordt door de mens en niet door de natuur. Voor andere, gerelateerde planetaire ecologische gevaren – bv. verzuring oceanen, mondiale fosforcyclus – dreigen we de safe operating space van het Ecosysteem Aarde bijna te verlaten. Globaal genomen begeven we ons meer en meer op onbekend terrein – terra incognita – waar het risico reëel wordt dat de relatief stabiele Holoceentoestand van de planeet Aarde naar een nieuwe toestand wordt geduwd, die wellicht veel minder bevorderlijk is voor het welzijn van mens en milieu.

Zoals ook erkend wordt in het Stockholm Memorandum kunnen we de mogelijkheid niet langer uitsluiten dat als gevolg van ons collectief handelen cruciale tipping points overschreden zullen worden, met abrupte en onomkeerbare gevolgen voor de menselijke gemeenschappen en de (ondersteunende) ecosystemen. Op de keper beschouwd staat BAU – Business As Usual – vandaag synoniem voor een zelfmoordscenario. Uitstel is geen optie meer. En voor de luxe van de ontkenning is er simpelweg geen ruimte meer.

Planetaire ecologen schetsen de urgentie van een koerswijziging naar een nieuw macro-economisch model. Een systeemtransitie vereist grondige veranderingen van structuren, culturen en praktijken. Gezien de meervoudige barrières is dit een langdurig proces, dat zich over twee tot drie generaties zal uitsmeren. Een transitie vereist de inzet van alle maatschappelijke spelers, te weten overheden, bedrijven, het middenveld én de kennisinstellingen. In een transitie wordt het radicalisme van de doelstellingen verbonden met het pragmatisme van de aanpak. Een duurzaamheidtransitie vereist bovenal een nieuw, geïntegreerd wereldbeeld dat conform is met het gegeven dat het Ecosysteem Aarde een complex, niet-lineair systeem is, waarvan de deelcomponenten elkaar voortdurend beïnvloeden. Aan de misleidende dichotomie – die zo eigen is aan het moderne wereldbeeld – tussen menselijke (economische) ontwikkeling en planetaire (ecologische) duurzaamheid moet heel dringend een einde komen. In een biofysisch begrensde wereld waarin wij een symbiotische relatie hebben met de planeet is ecologische duurzaamheid een noodzakelijke voorwaarde voor armoedebestrijding, economische ontwikkeling en sociale rechtvaardigheid. Anders gesteld: het respecteren van de ecologische grenzen vormt de niet-onderhandelbare basis voor onze sociale en economische ontwikkeling.

Dat ecosysteemdiensten – haast letterlijk – van onschatbare waarde zijn én dat biodiversiteit daarin een centrale rol speelt, vormt mijns inziens de meest centrale (en helaas nog weinig gekende) boodschappen van dit boek Tijd voor Biodiversiteit. Er is vandaag meer en meer wetenschappelijk bewijs voorhanden dat aantoont dat biodiversiteit essentieel is voor de capaciteit van ecosystemen om cruciale diensten te verlenen aan mens en maatschappij. Men kan hierbij denken aan de productie van biomassa, recyclage van nutriënten, bodemvorming, erosiebestrijding, drinkwatervoorziening, polinatie van gewassen, controle van ziekten en de levering van voedsel, vezels, hout, medicijnen tot zelfs genetisch materiaal voor veredeling.

Door biodiversiteit te beschermen en in stand te houden, draagt men bovendien niet alleen bij tot veerkrachtige ecosystemen, maar kan men ook de opwarming van de aarde in het gareel houden. Zoals het Rockström-diagramma heeft geïllustreerd, vormen precies de opwarming van de aarde en het extreem snelle biodiversiteitverlies – 100 à 1000 keer sneller dan het natuurlijke achtergrondsignaal – twee van drie ’s meest pregnante ecologische problemen. Conform het nieuwe, ecologische wereldbeeld, dient men ook de synergetische relaties tussen deze problematieken in te zien. De opwarming van de aarde veroorzaakt nieuw biodiversiteitverlies terwijl het verlies aan biodiversiteit op zijn beurt onrechtstreeks tot meer klimaatveranderingen leidt: een vicieuze cirkel die moet worden doorbroken. Eens te meer toont dit voorbeeld het belang aan van een geïntegreerde aanpak: biodiversiteitverlies en klimaatwijzigingen moeten tegelijkertijd bestreden worden in plaats van ze als geïsoleerde problemen te beschouwen. De voordelen van een slim beleid zijn legio. Gezonde oceanen, bossen, veengronden en andere ecosystemen zijn vooreerst de ideale koolstofmagazijnen. Daarnaast vormen het behoud en de restauratie van natuurlijke habitats de goedkoopste, meest veilige en goedkoopste oplossingen om broeikasgasemissies te verminderen en de aanpassing aan de reeds onafwendbare klimaatveranderingen mogelijk te maken. Door biodiversiteitverlies een halt toe te roepen, vertragen we de opwarming van de aarde én verhogen we de aanpassingscapaciteit van mensen, dieren en ecosystemen.

Hoe staat het echter met de reële strijd tegen klimaatveranderingen en biodiversiteitverlies? In beide gevallen is het antwoord, zoals u in dit boek kan lezen, negatief. Voorlopig slaagt de wereldgemeenschap er niet in een trendbreuk te realiseren. Integendeel. In 2010 lagen de broeikasgasemissies 5 procent hoger dan het jaar voordien, terwijl het doel van de in 2002 aangegane VN-biodiversiteitsconventie – namelijk de stopzetting van de biodiversiteitafname tegen 2010 – absoluut niet gehaald werd, zoals recent bevestigd werd in het vakblad Science. Net zoals bij de klimaatwetenschap bestaat er onder biodiversiteitwetenschappers wel een ‘wetenschappelijke consensus’ over de aard, de (antropogene) oorzaken en de ernst van het probleem maar geen ‘sociale consensus’. Met de woorden van Andrew Hoffman kan men een sociale consensus omschrijven als “een gedeelde visie van een maatschappij die ontstaat vanuit individuele en sociale waarden over wat waar en niet waar is”. Anders dan bij een wetenschappelijke consensus, die gedomineerd wordt de natuurwetenschappen, komt een sociale consensus pas tot stand wanneer ook voldoende andere actoren – media, culturele en politieke leiders – overtuigd geraken. Voor een sociale consensus moet eerst een maatschappelijk tipping point overschreden worden.

In het geval van de klimaatvraagstuk wordt geopperd dat meer nog meer informatie, sensibilisering en educatie over de klimaatproblematiek weinig zoden aan de dijk zal zetten om dat kantelpunt voor een sociale consensus te bereiken. Sinds de lancering van de film An Inconvenient Truth in 2006 is er al eindeloos veel inkt gevloeid en zendtijd gespendeerd aan deze problematiek. Dáar ligt het probleem dus niet. Om tot een sociale consensus te komen, zal het veeleer essentieel zijn om de klimaatproblematiek anders te gaan kaderen. Sociologisch onderzoek toont het belang aan van het expliciet benoemen van de voordelen van klimaatbeleid: jobs, materialen- en energieautonomie, gezonde steden. Dit zijn voordelen die boven de partijgrenzen heen kunnen worden gesmaakt. In het geval van de biodiversiteitproblematiek zal een nieuw referentiekader ongetwijfeld eveneens van onschatbare wijze zijn. Anderzijds kan men bezwaarlijk stellen dat meer educatie over biodiversiteit niet nodig is. Europees onderzoek heeft aangetoond dat twee mensen op drie amper weten wat biodiversiteit precies betekent. Er is dus nog veel werk aan de winkel.

Dit boek draagt alvast bij tot de broodnodige verspreiding van kennis over het maatschappelijk belang van biodiversiteit. In Tijd voor Biodiversiteit maakt een interdisciplinaire groep wetenschappers de lezer wegwijs in de wetenschap van de biodiversiteit. Centraal staat de kernidee dat biodiversiteit belangrijk is op drie schaalniveaus: het genetisch materiaal, het aantal soorten en op het niveau van ecosystemen. Na lezing van dit boek zal niemand nog kunnen beweren dat de bescherming van biodiversiteit een luxegoed is. Zonder biodiversiteit is er immers geen toekomst voor het (menselijk) leven op deze planeet.

Boekinfo

Waarom is biodiversiteit belangrijk? Sterven er echt zoveel soorten uit? Wat zijn de oorzaken van het verlies in biodiversiteit? En wat zijn de gevolgen? Wat kunnen wij doen?

We kunnen er niet omheen: er sterven dagelijks, misschien zelfs elk uur, soorten uit. Natuurlijke evenwichten raken verstoord, volledige ecosystemen zijn in gevaar. Dat is erg voor de natuur, maar ook voor het voortbestaan van de mens, want die heeft goed functionerende en stabiele ecosystemen nodig om in zijn basisbehoeften te voorzien. Zuiver water, voedselvoorziening, een stabiel klimaat, geneeskrachtige planten: het zijn allemaal dingen die we nodig hebben om te overleven en die we als evident beschouwen, maar die we slechts in stand kunnen houden als we de biodiversiteit niet verder laten aftakelen.

Dit boek geeft geen pasklare oplossingen, maar wil wel de actuele kennis over biodiversiteit beschikbaar maken voor iedereen die zich om onze planeet bekommert. Ecologen, evolutiebiologen, specialisten in systematiek, natuurontwikkeling of landbouw hebben de handen in elkaar geslagen om in begrijpelijke taal een overzicht te geven van de wetenschap van de biodiversiteit.

Over de auteurs:

SISKA WAELKENS is bio-ingenieur in de scheikunde en doctor in de landbouwwetenschappen. Sedert 1995 legt zij zich vooral toe op wetenschapscommunicatie, onder andere als redacteur van teksten voor het grote publiek.

FILIP VOLCKAERT is licentiaat in de biologie en doctor in de oceanografie. Zijn onderzoek spitst zich toe op de evolutiebiologie van vissen en hun parasieten.

 
< Vorige   Volgende >