|
Dit opiniestuk van me verscheen in {De Tijd} van 13/4/2007. Het gaat over de wijze waarop klimaatsceptici te werk gaan. Het stuk verwijst ook naar de politiek-maatschappelijke traagheid en onwil om de globale opwarming aan te pakken.
-- De globale opwarming vormt een gewichtig probleem voor mens en milieu, blijkt uit verschillende recente rapporten. Er is dringend nood aan actie, de speeltijd is voorbij. Nochtans blijven de politiek-maatschappelijke traagheid en onwil immens, en proberen klimaatsceptici hun gelijk door te voeren.
Peter Tom Jones
De globale opwarming vormt een gewichtig probleem voor mens en milieu. Dat werd vorige week nog maar eens bevestigd, toen het tweede deel bekendgemaakt werd van het Vierde Evaluatierapport van het Intergouvernementeel Panel inzake Klimaatverandering (IPCC) van de Verenigde Naties dat de impact van klimaatwijzigingen beschrijft. Uit het eerste deel was een maand geleden al gebleken dat de (gevaarlijke) grens van 2 graden opwarming ten opzichte van de pre-industriële temperatuur 'bijna zeker' nog deze eeuw overschreden zal worden. In afwezigheid van krachtdadige actie geven de rapporten een somber toekomstbeeld. Wij staan voor een historisch kruispunt. Nochtans blijft de politiek-maatschappelijke traagheid en onwil immens en blijven klimaatsceptici proberen hun gelijk door te voeren.
Het is bekend dat klimaatsceptici gedurende de laatste decennia een bitsige loopgravenoorlog hebben gevoerd, een gevecht waarbij zij gaandeweg terrein hebben moeten prijsgeven. Eerst opperden ze dat het klimaat helemaal niet opwarmt. Toen dat onmiskenbaar weerlegd kon worden, spitsten ze de aandacht toe op de oorzaken van de opwarming. Vervolgens, toen duidelijk werd dat de (industriële) mens de hoofdverantwoordelijke is, begon men vooral te discussiëren over de economische kant van de kwestie. Heeft het wel zin actie te ondernemen?
verantwoordelijkheid
De nieuwe rapporten van het VN- klimaatpanel verzetten de bakens in dat debat. Vorige maand beslechtte het eerste deel van het VN-Evaluatierapport de discussie omtrent de verantwoordelijkheidsvraag. Klimaatsceptici van de eerste generatie, die nog steeds aanvoeren dat de opwarming vooral natuurlijke oorzaken heeft, hebben anno 2007 geen wetenschappelijke poot meer om op te staan. Wat men ook moge beweren in bepaalde populaire magazines, dat debat is voorbij, althans in de wetenschappelijke vakliteratuur. Getuige daarvan de stortvloed aan artikels in referentiebladen als Science en Nature.
Het is dan ook bijzonder jammer om als geëngageerd wetenschapper te moeten vaststellen hoe hardnekkig dat denken blijkt te zijn. Het scepticisme sluimert zowel bij extreemrechtse partijen als in liberale kringen. Het is een beetje zoals bij het debat tussen klassieke biologen en creationisten over Darwins evolutietheorie. Gaan we in de toekomst voor elk debat waar een bioloog aan deelneemt, ook een creationist uitnodigen?
De tweede generatie klimaatsceptici staat een stap verder. Zij beseffen terdege dat de aarde opwarmt en dat de mens grotendeels verantwoordelijk is. Hun belangrijkste argument is dat het nemen van drastische klimaatmaatregelen economisch gezien weinig zinvol is. De positieve gevolgen van een krachtig beleid - de reductie van broeikasgassen bijvoorbeeld - worden immers pas zichtbaar in een verre toekomst. Monetair omgerekend naar een geldwaarde vandaag zou het sop de kool niet waard zijn. Hun conclusie luidt dat het veel zinvoller is de gevolgen af te wachten en vooral geld te spenderen aan aanpassingsmaatregelen (adaptatie).
Als men echter gebruik zou maken van lagere discontovoeten, komt men tot totaal andere conclusies. Bijvoorbeeld: Nicholas Stern gebruikte in zijn (inmiddels bekende) studie een zeer lage discontovoet (0,1%). Op die manier kwam hij tot de conclusie dat 'niets doen' een economische recessie zou teweegbrengen: een jaarlijks verlies van 5 tot 20 procent van het bruto mondiaal product. Dat toont meteen aan hoe gevoelig economische berekeningen zijn voor de precieze aannames die men maakt. Bovendien wordt in dat type van analyses geen rekening gehouden met de volgende ethische beschouwing: de landen die gedurende de laatste 200 jaar voor de grootste uitstoot verantwoordelijk waren, zijn niet de landen waar vandaag en morgen de slachtoffers vallen (onder meer de Aziatische megadelta's en zwart Afrika). Dat is een van de kernboodschappen van het jongste IPCC-rapport.
Klimaatsceptici van de tweede generatie gaan volledig voorbij aan dat onrecht. Die kwetsbare regio's beschikken niet over de middelen om zich aan te passen aan de toekomstige droogte (Afrika) of aan de stijging van de zeespiegel (megadelta's). Een succesvol aanpassingsbeleid - noodzakelijk om de VN-Millenniumdoelstellingen te halen - vereist financiële hulp van de rijke landen.
contraproductief
Aanpassing is ook nodig in de rijke landen. Als gevolg van de traagheid in het klimaatsysteem zullen we sowieso te maken krijgen met een opwarming die grote effecten zal teweegbrengen. De komende tien tot veertig jaar is het daarom van vitaal belang aanpassingen door te voeren, want het zal decennia duren vooraleer de maatregelen voor broeikasgasreducties vruchten afwerpen.
Nochtans is adaptatie schromelijk onvoldoende. Adaptatie zonder te vermijden dat de opwarming te snel en te sterk verloopt (mitigatie) is contraproductief, de tweede kernboodschap van het jongste IPCC-rapport. De milieuschade en de economische kosten zullen dermate hoog oplopen dat drastische maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen vanaf nu te verminderen, zich wel degelijk aandienen. Waar we vandaag behoefte aan hebben, is zowel mitigatie als adaptatie. En/en in plaats van of/of.
Zoals het Belgische IPCC-lid Jean-Pascal Van Ypersele heeft aangegeven, moeten we komen tot reductiedoelstellingen die het mogelijk maken de CO2-concentratie te stabiliseren op 400 ppm, terwijl we nu aan circa 380 ppm zitten. Een tijdelijke overschrijding van die limiet mag worden getolereerd, maar dan moet die concentratie snel naar beneden. Op mondiaal vlak moet daarom dringend werk worden gemaakt van een verregaand post-Kyotoakkoord, waarin men voor de periode na 2012 op een 'rechtvaardige' wijze alle landen ter wereld betrekt. Rijke landen zullen het voortouw moeten nemen.
Pas als wij onze uitstoot drastisch doen dalen (met 30% tegen 2020, met 80 à 90% tegen 2050), kunnen we van landen als China, Brazilië en India verwachten dat zij overschakelen naar een lagekoolstofeconomie. Hoe sneller die duurzaamheidstransitie wordt ingezet, hoe groter de kans dat het doemscenario wordt vermeden.
Op nationaal en Vlaams niveau kunnen wij mee het initiatief nemen. Zo'n ecologische omslag biedt bovendien heel wat kansen op het vlak van nieuwe werkgelegenheid in de ecotechnologische sector. De speeltijd is voorbij. De tijd is gekomen om een moedig en vooruitziend beleid te voeren, vooraleer het definitief te laat is.
--De auteur is burgerlijk ingenieur milieukunde en doctor in de materiaalkunde. Hij werkt als postdoctoraal onderzoeker aan de KULeuven. Hij is co-auteur van 'Terra Incognita' en 'Het klimaatboek: Pleidooi voor een ecologische omslag' dat op 16 april verschijnt.
|